Ursu, Ingmar en de
“Grote Prijs van België IWR 2002”
Johan Sioen
De “Grote Prijs van België IWR” wordt
éénmaal per jaar ingericht door de Koninklijke Maatschappij Sint Hubertus. De wedstrijd
wordt gespeeld in IWR 3 en staat open voor alle werkhondenrassen. Slechts 2O
combinaties mogen deelnemen. Selectie voor deelname is een prestatie op zich.
Om in aanmerking te komen moet je minimaal vijf resultaten voorleggen, behaald
op CAC en/of CACIT-IWR in klasse 3 met een minimum puntenaantal van 80/70/80.
Die resultaten moeten behaald zijn in de loop van één seizoen en ze moeten
verspreid zijn over minstens drie provincies. Daarenboven moet één van die
uitslagen genoteerd zijn op een CAC- IWR Speciale, waarvan er maar twee per
seizoen worden georganiseerd.
CAC-IWR
wedstrijden zijn de competities die beslissend zijn voor de titel van “Werkkampioen”
en op dat niveau is enkel klasse 3 van tel: het gaat hier om pure topsport. En
die topsport wordt gedomineerd door de herdersrassen. Tot ongeveer 1992 met een
overwicht van Duitse Herders, daarna van Belgische Herders, vooral Mechelaars.
Op de lange erelijst staan 1 Beauceron (en dat is ook een herdersras), 1
Dobermann en 1 Rottweiler. De rest zijn Duitse herders en Mechelaars.
Geen enkele boxer is
er ooit in geslaagd zich te kwalificeren voor deelname, tot dit jaar dus.
“URSU” werd
geboren op 24 augustus 96 uit een combinatie van Sultan van Sapho’s Hoeve en Sabrina
van Sapho’s Hoeve. Hij was de enige reu in een nestje dat particulier
gefokt werd en zijn eerste zes maanden waren niet veelbelovend. Het begon met
een tikfout op het kantoor in Brussel waar zijn naam geamputeerd werd van Ursus tot Ursu en het eindigde ermee dat hij thuis in samenwerking met zijn
moeder de boel zodanig op stelten zette, dat zijn fokker/eigenaar hem ons kwam
aanbieden in een poging een deel van het huisraad en de familiale gemoedsrust
te redden. Sultans gele zoon, een kruidvat van zes maand, kwam zodoende onder
de hoede van Ingmar, het begin van een verhaal.
In het
geboortejaar van Suus – zo herdoopt
omwille van de eenvoud – nam Ingmar met Sultan voor het eerst deel aan het WM-Atibox dat toen nog volgens het Schutzhundprogramma werd
gespeeld. Op een puntje na mistte hij het SchH 1
podium in Hagen (D) en werd vierde.
Het jaar daarop in Castano Primo (I)
kwam hij wel, als tweede, op het SchH 2 schavotje. Ondertussen groeide Suus uit tot een middelgrote vierkante
reu, lichter gebouwd dan zijn vader en dus sneller. Zijn donkere ogen toonden
een kwikzilveren alertheid, maar ook zoiets als “ernst” - wat ik nog nooit bij
een zo jonge reu had gezien. Hij leek ook introverter en harder dan zijn vader.
Dat eerste was niet moeilijk want Sultan was ondanks zijn turbulente eerste levensjaar
(dat is een ander verhaal) een zeer open boxer. Het tweede was wel moeilijk.
Hoewel
Ingmar Suus bijna van meetaf aan als
de “opvolger” zag, liet hij hem zijn vlegeltijd uitleven en werd de opleiding
consequent maar eenvoudig en gevarieerd gehouden.
1999 zou Sultan’s jaar worden: hij was
ondertussen in de fleur van zijn leven en op het toppunt van zijn kunnen als
competitieboxer. Op de Atibox in Bonn
(D) trad hij aan in SchH 3 en werd knap achtste. Later op het jaar, in koud
regenweer nam hij in Lelystad deel aan het Clubkampioenschap van de
Nederlandse
Boxerclub. Hij won de IPO 3 klasse en werd de eerste en totnogtoe enige “NBC Clubwinnaar”. Op de terugweg had
Ingmar besloten om de werkcarrière van Sultan te laten eindigen op een
hoogtepunt, een klassieke zege. Ik weet nog steeds niet wat me blijer maakte,
de titel die ze behaalden of zijn beslissing.
I998 en
99 waren sleuteljaren:
zijn opleidingstechniek was altijd al ‘zachter’ en bedachtzamer geweest dan wat
je doorgaans op terreinen ziet. Nu koos hij resoluut voor een methode die
verder bouwde op de inzichten van Karin Pryor. Sultan’s opleiding was nog een
mix, die van Suus was dat al veel
minder. In de lente van 99 had Suus
met enkele maanden tussentijd zijn IWR 1 en 2 certificaten behaald met constante
276/275 totalen en met telkens 96 in verdediging. De training verliep nu op
kruissnelheid.
Hoofddoel
voor 2000 was de Atibox opnieuw in Castano
Primo(I). Het Weltmeistershaft dat de Italianen koppig omdoopten tot Campionato Mondiale, tot in de officiële
stempels toe. Suus was gemeld in SchH
2. Gehoorzaamheid (84) en Verdediging (94) liepen vlot, maar de speurproef was
een misser. Het was al langer duidelijk dat speurwerk zijn achillespees was:
het belette niet dat Ingmar even goed moest slikken. Als leerlingen van de Oude
Boxerschool konden we dan wel zeggen, beter gezakt in speurwerk dan in
verdediging – maar voor sportmensen is dit klinkende
onzin. 2000 was daarmee niet verloren: Suus behaalde wel zijn IPO 3 met een
totaal van 278 punten, 98 in Verdediging en een 95 in speuren. De ene dag is de
andere niet.
De planning
voor 2001 werd gesplist. Het voorjaar zou worden opgebouwd naar de Atibox in Slowakije toe, daarna enkele maanden
relatieve trainingsrust en een heropbouw in het najaar. In april 2001, op het
WM-Atibox in Vrbové (SK) was Suus
gemeld in SchH 3. Het was de vijfde opeenvolgende deelname van Ingmar aan deze
hoogste boxercompetitie. Twee jaar eerder was hij in klasse 3 aangetreden met
de vader van Suus. Maar de herinnering aan de speurkater van 2000 bleef spoken.
Het liep goed dit keer: speuren 91, gehoorzaamheid 87. De laatste proef, de
verdediging, werd door de Duitse keurmeester, Wolfgang Karle, als foutloos
beoordeeld: 1OO. Met een totaal van 278 punten evenaarde Suus zijn beste resultaat
ooit en werd vierde, op drie punten van het podium. Vooral de 100/100 in
Verdediging bleef hangen: een zeldzaamheid, zeker op dit niveau.
Het eerste
doel was bereikt en Suus kon de volgende twee maanden in alle rust
genieten. Dat was echter niet het geval voor Ingmar die naast het werk in de
kennel, het pension, de tentoonstellingen, de club en de stages nog enkele
boxers op training had voor hun IWR 1 certificaat. Dat iemand graag werkt met
een boxer en als het goed gaat, ook aan competities wil deelnemen, kan ik
begrijpen. Al zal men mij nooit van enthousiasme kunnen beschuldigen. Als die
competitie buiten boxerverband gebeurt verlies ik mijn begrip en mijn pedalen.
Je betreedt een terrein waar andere normen en gebruiken gelden: die van de
herders en hun mensen. Daar blijf je als boxermens beter weg. Mijn mening, niet
die van Ingmar.
Door zijn
opleidingswerk en zijn functie als pakwerker was hij al jaren op allerlei IWR
clubs actief. Meestal tussen andere rassen. Altijd weer moeten opboksen tegen
de vooroordelen over de boxer, vermengd met een snel groeiende afkeer van de
stereotiepe opleidingsmethodes die nooit in vraag werden gesteld, leidden ertoe
dat zijn besluit vast stond. Hij moest en zou bewijzen dat een goed opgeleide
boxer ook op hun hoogste niveau kon meespelen: hij zou proberen de selectie te
halen voor de Grote Prijs van België. Niets meer niets minder. In die gedachte
werd hij nog aangemoedigd door enkele (herders)mensen uit Sectie 1C: het IWR
had het moeilijk en kon wel een injectie vanuit andere rassen gebruiken. Al was
het dan maar om de aantallen op te krikken en het overwicht van de herders nog
beter in de verf te zetten. We kregen het thuis op de heupen. Meer dan één
discussie verliep op het scherp van de snee en de deuren zijn er sindsdien ook
niet beter op gaan sluiten. Maar uiteindelijk was het zijn beslissing. Dat
verdiende respect maar eigenlijk hoopten we alleen maar dat hij zijn vingers
niet te erg zou branden.
De
eerste CAC wedstrijd werd al eind augustus gespeeld in Solre Sur Sambre. Suus was nu vijf jaar: sterk, snel
en alert. Hij was een IWR 3 / SchH.3 competitieboxer, met een enorme
trainingservaring maar met slechts 6 wedstrijden op 6 verschillende terreinen
op zijn actief: 1 IWR1, 1 IWR2, 2 IWR3, 1 SchH2 en 1 SchH3. In die 6
wedstrijden was hij door 12 verschillende keurmeesters beoordeeld. Bij de
competitieboxers stond hij, zeker na Vrbové
internationaal mee aan de top. Maar was dat genoeg voor een zenuwslopende
opeenvolging van CAC-wedstrijden, waar zelfs ervaren herdersrotten van wakker lagen? Ik wist dat de band tussen Suus en Ingmar
hecht was, maar alles en iedereen heeft een breekpunt. Kortom: we waren er niet
gerust in. Die eerste wedstrijd verliep goed: 265 punten met een 97 in
Verdediging.
De tweede
wedstrijd kwam al twee maand later, eind oktober op het terrein van ASC Lobbes:
een CAC-CACIT wedstrijd. Met andere woorden: ééntje die meetelt voor de titel
“Internationaal Werkkampioen” én waar het keurmeestergild op scherp staat. De
uitslag: geslaagd, 258 punten. Wat Ingmar toen nog niet wist:
deze wedstrijd zou nooit in aanmerking komen. In speuren had Suus 79
laten noteren, voldoende voor een normale wedstrijd en ook voldoende om te
slagen, maar niet voldoende om de wedstrijd te laten meetellen voor de uiteindelijke
selectie: op speuren moest 80 gehaald worden. Dat éne puntje zou nog
grote gevolgen hebben. Veel tijd om daarover te piekeren zou hij toch niet
hebben gehad: begin december was er een nieuwe wedstrijd, in Geel. Hetzelfde
totaalresultaat werd behaald als in Lobbes maar nu met 85/80/93. Ditmaal een
geldig resultaat dus.
Het was
een verademing dat de kerst en nieuwjaarsperiodes eraan kwamen. Niet voor de feesten, maar omdat
er rond die periode geen selectiewedstrijden georganiseerd werden. Trouwens:
hoe was de situatie rond kerst 2001? Met drie geslaagde CAC wedstrijden in
evenveel maanden en in verschillende provincies liep de voorselectie zo goed
als maar mogelijk was. Ingmar wist nog steeds niet dat de tweede wedstrijd zou
wegvallen. De vraag of de behaalde punten voldoende zouden zijn om in de “Final
Twenty” te worden opgenomen, zou natuurlijk tot na de laatste wedstrijd
openblijven. En het zou kantje boord worden.
Suus was vermagerd, Ingmar ook. Als wij
ons al zorgen maakten, Ingmar ook: Suus begon haperingen in zijn werken
te tonen. Kleine dingen, slimmigheden eigenlijk. Tijdens een wedstrijd kan je
niet bijsturen. Dat heeft elke hond vlug door, zeker een Boxer. Door de snelle
opeenvolging van wedstrijden is er ook weinig of geen tijd om de training op
die haperingen toe te spitsen. Dat heeft ook geen zin: je weet nooit vooraf of
dat niet elders zijn weerslag zal hebben. Dus moet je
de boxertrucjes op de koop toe nemen.
Dat was nieuw, voor beiden. Suus had tot nu toe maximaal twee wedstrijden per jaar
gespeeld. Na iedere wedstrijd kon op een geduldige manier worden bijgetraind.
Hij kende dat ritme. Nu was het anders. Ingmar was er op ingesteld met telkens
één boxer naar één wedstrijd toe te werken. Hetzij met boxers die een
I-certificaat moesten halen (en die daarna nooit meer een oefenterrein zouden
zien), hetzij met zijn eigen boxers. Het gaat daarbij in beide gevallen om een
maandenlange opbouw naar één wedstrijd toe. Hier was het anders: het kwam erop
aan een team op de rails te houden, te laten presteren in een snelle
opeenvolging van wedstrijden met bijzonder weinig ruimte voor correctie.
Geleider en Hond moesten in de eerste plaats gezond blijven ( een simpele
kwetsuur of ziekte kan een team finaal uit de competitie knikkeren). In de
tweede plaats moet de vertrouwensband ten allen prijze intact blijven.
Een scheurtje in die relatie kan de combinatie, evengoed als een fysieke
kwetsuur, uit de running halen. Dit was niet enkel maandelijks presteren op
topniveau, het was daarenboven een uithoudingsproef op alle vlakken. Het is
trouwens gemakkelijk te vergeten dat deze proef, niet enkel de wedstrijd maar
ook de training, zich in de late herfst en de winter afspeelt, in koude, vocht
en wind dus. En daar zijn herdersrassen nu eenmaal beter voor uitgerust dan een
kortharig ras.
Met die stand van zaken werd het 2002. De Grote Prijs van België IWR zou in het najaar worden gespeeld. Het Atibox-WM, dit jaar in Benicarlo (Spanje) al in de lente. Hij
moest nog minstens twee CAC wedstrijden spelen. Ingmar twijfelde maar schreef
Suus toch in voor de Atibox, klasse 3. In die eerste weken van januari leken
beide competities nog veraf.
De
nieuwjaarsindigesties waren nauwelijks over of er stond een barkoude wedstrijd
in het Luxemburgse Grace Hollogne te wachten. Dit was geen opwarmertje voor de
rest van het seizoen: de wedstrijd was opgevat als een CAC-CACIT die het
statuut van “Speciale” kreeg. Met andere woorden, dit was een wedstrijd die
meetelde voor het behalen van de titels Nationaal
en Internationaal Werkkampioen en die
daarenboven op het lijstje van verplichte wedstrijden voor de selectie voor de Grote Prijs van België was geplaatst.
Een wedstrijd met vier keurmeesters.
Toen ze
s’avonds heel laat uit de Ardennen terugkeerden liepen zowel Suus als Ingmar er
nog stijf van de kou en de zenuwen bij. Maar met 84/73/94 waren ze wel
geslaagd. Na enkele dagen ontdooien was Ingmar weer aanspreekbaar: tevreden
over het speuren en de verdediging, maar een bevestiging van zijn vrees: Suus
maakte in de gehoorzaamheid steeds meer foutjes. Kleine foutjes die op het
niveau van een Speciale, waar je met
een bizarre verschijning als een Boxer tussen 30 herders even anoniem was als
een kat in een visbokaal, zonder pardon werden afgestraft. Foutjes ook die
gemakkelijk konden worden bijgewerkt, maar waar nu geen tijd voor was: de
volgende wedstrijd vond al het weekend daarop plaats. Een CAC wedstrijd op
Kynosclub Heule. Normaal gezien zou dit de vijfde en dus laatste wedstrijd
worden van de voorselectie. Ingmar wist dat hij in een officieuze en voorlopige
selectie was opgenomen, maar het was letterlijk een kwestie van enkele puntjes.
Eén uitglijder op eender welke oefening en hij viel buiten de selectie. Hij had
besloten die week helemaal niet met Suus te trainen. In plaats daarvan gingen
ze wandelen op het verlaten winterstrand achter de kazerne van Lombardsijde.
Een verstandige beslissing en of het daaraan lag of niet maar Heule werd een
betere wedstrijd dan Grace Hollogne: 87/88/9O (265). Ronduit goed.
Die
avond hadden we allemaal tevreden kunnen zijn: de selectiewedstrijden achter de rug, stress
weg, Suus kon een maand rusten, Ingmar kon op zijn positieven komen en
dan was er nog een kleine maand om terug op te bouwen naar Benicarlo. En met
wat geluk zou in het najaar dan de Grote Prijs volgen – als de puntentotalen
voldoende waren natuurlijk. Maar er zitten altijd addertjes onder het gras: na
de wedstrijd in Heule vernam Ingmar dat zijn tweede wedstrijd niet in
aanmerking kon komen door dat éne puntje (79) dat hij tekort kwam. Je oren
tuiten en je bent zeker dat je het in Keulen hoort donderen, maar er valt niets aan het
verdict te veranderen.
Concreet
betekende dit reglementaire weerhaakje dat Ingmar nog een CAC wedstrijd moest lopen, of … de zaak laten voor wat ze
was. Dan kon hij zich volledig toeleggen op de Atibox. Zo eenvoudig was dat echter niet. Hij had zich nu eenmaal
tot doel gesteld: een Boxer in de selectie voor de Grote Prijs te brengen, voor de eerste maal in de geschiedenis van
de Belgische kynologie. Al bijna zeven maand was hij daar mee bezig. Blood,
sweat and tears, jawel – maar hij maakte een redelijke kans. Kon hij nu, net
voor de laatste hindernis, afhaken? Ik ben zeker dat hij eraan gedacht heeft.
Ik geloof zelfs dat hij het wilde, de hele zaak afblazen. Wat had hij per slot
van rekening voor zichzelf of voor Suus
te verliezen? Ze waren in alle vijf IWR CAC’s in klasse 3 geslaagd. Maar het
ging niet om hém en zelfs niet om Suus:
hij wilde zijn ras, de Boxer, laten selecteren voor de
meest prestigieuze IWR wedstrijd in België. Dat stak in zijn kop: er was geen
andere keus dan door te gaan.
Er bleef
nog één CAC wedstrijd die enigszins in de kalender wou passen, 7 april in
Werchter. 19 dagen voor de Atibox. Suus
werd ingeschreven voor Werchter, hoewel het overduidelijk was dat hij rust
nodig had. Ook Ingmar was aan het einde van zijn bobijntje. Eigenlijk was dit
voor beiden roofbouw. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de uitslag de
minste goede van het hele rijtje werd, maar toch voldoende om te slagen. Na
Werchter was het afwachten op de officiële puntenlijst van alle combinaties.
Ondertussen
was er de vraag wat te doen met de Atibox. Rond kerst waren Ingmar en Vicky naar Benicarlo getrokken om er een hotel te
vinden, de speurvelden en het stadion te bekijken. Alles was geregeld, maar
voor ons was het zo klaar als een klontje dat zowel Suus als Ingmar
dicht bij een burn-out stonden. Ingmar twijfelde. Het
was onbegonnen werk om binnen een tijdsbestek van veertien dagen Suus terug in conditie te brengen
(fysiek en psychisch). Dat gold ook voor hemzelf. Dat
wist hij wel maar toegeven is wat anders. Daarenboven had Suus zich op de laatste wedstrijd behoorlijk missprongen: hij bleef
manken. Uiteindelijk hakte hij de knoop door. Benicarlo werd geschrapt. Als hij in de selectie kwam, zou alles op
de Grote Prijs in oktober worden
gezet. Op die manier had Suus de hele zomer rust. De beslissing was niet van
harte want na vijf jaar deelname was de Atibox “zijn” competitie geworden. Je
liet dat niet zonder reden links liggen. Maar eenmaal de keuze gemaakt, –
volgens ons de enig mogelijke - viel de spanning weg.
Inschrijving
voor de Grote Prijs, met voorlegging van de vijf CAC-resultaten, sloot op 15
mei. Met het wegvallen van Lobbes kon hij wedstrijden in vijf provincies
voorleggen: Henegouwen, West-Vlaanderen, Vlaams Brabant, Antwerpen en
Luxemburg. Twee maand later viel een brief van Koninklinklijke Maatschappij Sint Hubertus in de bus. Suus en
Ingmar werden door de K.H.S.H. uitgenodigd deel te nemen aan de Grote Prijs van
België: ze hadden de finale selectie bereikt.
Het was
nu een feit: voor
het eerst was een Boxer geselecteerd
voor de Grote Prijs van België IWR alle
rassen. Ik geloof dat Ingmar nog steeds die brief op zijn bureau heeft
staan, en terecht: het is een adelbrief, niet enkel voor Suus en voor hem, maar voor de Boxer.
Suus was ondertussen hersteld van zijn kwetsuur, zijn conditie was door
lange strandwandelingen weer tiptop en hij had opnieuw honger naar het terrein.
Augustus is een pensionmaand en september is naar traditie de maand van de
grote Boxertentoonstellingen. De trainingen liepen tussendoor. Er moest niets
geforceerd worden: het voornaamste doel was bereikt, de selectie. Over
plaatsing moesten ze zich geen illusies maken: het ging erom te kunnen
deelnemen en een prestatie naar bestvermogen neer te zetten.
De “Grote Prijs van België IWR alle rassen
2002” werd georganiseerd door HV Witven op hun terreinen in Beerse. 20
oktober was de datum. Naarmate die dag naderbij kwam steeg de koorts toch. Het
moet akelig voelen te weten dat de top van het IWR wereldje op je vingers zal
staan kijken. Niet omdat je een directe concurrent voor de ereplaatsen bent,
maar omdat jij daar op hun domein met een Boxer kan deelnemen. Suus had er
minder last van maar Ingmar zag ondanks zijn ervaring toch maar bleekjes toen
hij vertrok. Gelukkig was Vicky mee om de eerste golf van zenuwen op te vangen.
De wedstrijd werd gekeurd door 3 keurmeesters, de heren Leclercq, Vanlonderzeele
en Van de Poel, onder supervisie
van de voorzitter van Sectie 1C, Dhr.Alfons Van den Bosch en de
Afgevaardigde van de K.M.S.H. dhr. Thibault. Het selecte
deelnemerslijstje waarvoor zich uiteindelijk slechts 18 combinaties plaatsen en
15 daadwerkelijk aantraden, bestond uit 6 Duitse Herders, 8 Mechelaars en 1
Boxer. Zoals op een dergelijke wedstrijd mag worden verwacht, werd met de ogen
wijd open en naar de letter van het reglement gekeurd.
Die avond zouden drie
Mechelaars op het podium staan. Op één, Geert Verlinden met Utamarou des deux Pottois die deze wedstrijd ook al wonnen in 1999
en 2OOO, en die enkele weken later ook Belgisch Kampioen IWR bij De Belgische
herders zouden worden. Op twee,
iemand die zijn carrière ooit begonnen is met een boxer maar, teleurgesteld,
naar de Mechelaars is overgestapt: Guido
Bervoets met Viola van de Berlexhoeve.
Op drie, Fred Cuypers met Valentin van
Joefarm, Wereldkampioen IWR 2002 bij de Belgische herders en Winnaar van
deze wedstrijd in 2001. Niet dat Belgische Herders mij danig fascineren maar om
een idee te geven van de kwaliteit van de teams die op dit niveau acte de
présence geeft.
Suus en Ingmar liepen een gespannen maar solide wedstrijd en
eindigden twaalfde met een totaal van 256 punten (92/76/88).
Ironisch
was dat de speuroefening voor het eerst in zijn carrière de beste van zijn
wedstrijd was: totnogtoe was dat onveranderlijk de verdediging geweest. Suus
oordeelde blijkbaar dat hij de vooroordelen wat moest bijstellen en dat hij dat
het best kon doen op de plaats waar hij geschiedenis schreef. Enig opportunisme
is ook hem niet vreemd. De ontlading nadien was navenant de prestatie. Al
gebeurde dat grotendeels in gezelschap van herdersmensen. Een aandenken dat de
voorzitter van de KBBC, Nicolas limon, terplaatse namens de club
overhandigde werd geapprecieerd, maar kon de onverschilligheid van de
boxermensen niet verdoezelen. Dat interesse en waardering vanuit de KMSH, de KKUSH en vanwege buitenlandse boxermensen kwam en niet vanuit de
eigen Belgische boxerwereld, is een naakte constatering. De lezer is, zoals
altijd, vrij daar zelf conclusies aan te verbinden.
Uit nieuwsgierigheid heb ik wat getallen in het werkboekje
van URSU opgezocht.
Tussen
maart 99 en oktober 2002 heeft hij in totaal 13 IWR/SchH. wedstrijden
gespeeld.
11 keer
geslaagd, 2 maal gezakt wegens onvoldoende in het speuren.
Van die 13
wedstrijden waren er 10 in klasse3.
4.
Hij nam deel aan 6 CAC, 2 CACIT en 2 Weltmeister-Atibox wedstrijden plus
1 Grote Prijs van België.
Op die 13
wedstrijden fungeerden in totaal 28 keurmeesters, van de Voorzitter van Sectie
1C tot de werkverantwoordelijke van de Atibox.
De 13
wedstrijden werden op 11 verschillende terreinen gespeeld, waarvan slechts
éénmaal op een boxerterrein ( Kortenaken) en geen enkele op de eigen
club.
De
gemiddelde scores over alle wedstrijden waren: 8O Speuren, 83 Gehoorzaamheid en
93 Verdediging.
De hoogste
scores: 95 Speuren (bij het afleggen van zijn IWR 3), 92 Gehoorzaamheid (op een
CAC/CACIT) en 100 Verdediging (op een WM-Atibox). Bij zijn eerste wedstrijd was
Suus drie en bij zijn tot nu toe laatste zes jaar.
Voor een bazig en vervelend boxerreutje waar geen land
mee te bezeilen viel en dat het huis uit moest, is dat niet slecht.
Zeker niet als je in gedachten houdt dat Suus niet kon
genieten van het privilege dat de meeste wedstrijdhonden hebben: een geleider
te hebben die zich enkel en alleen met hem bezighield. Zijn geleider is in
de eerste plaats boxerfokker. Naast zijn dagelijks werk in de kennel en in
het pension, leidt hij daarnaast boxers van andere eigenaars op, is pakwerker
op verschillende clubs, runt een eigen bescheiden IWR
club, stelt Boxers voor op de belangrijkste tentoonstellingen in Europa en
vecht ( onder andere binnen de KBBC) voor de integriteit van zijn Ras.
Het zijn
knappe mensen die de moed hebben hem te beschuldigen van dierenmishandeling,
omdat hij een gecoupeerde pup voorbracht op een Belgische boxertentoonstelling.
Brieven aan Ministerie, aan het FCI (sic), aan
BK-München enzovoort. Echte klasse. Ik kan nauwelijks wachten om de
ongetwijfeld impressionante lijst van hun verdiensten in functie van het Ras te bewonderen.
En ik weet
niet of ik nu uit de school klap, maar voor hun informatie het volgende: de
trainingen van deze top IWR 3 Boxer,
sinds de wedstrijd in Werchter, bestonden hoofdzakelijk uit twee activiteiten.
Ravotten op verlaten stranden en het met de clicker aanleren van..Dogdancing. Ze
doen het trouwens al heel behoorlijk. Wie weet… .
Johan Sioen.