Ursu, Ingmar en de “Grote Prijs van België IWR 2002”

 

 

Johan Sioen

 

De “Grote Prijs van België IWR” wordt éénmaal per jaar ingericht door de Koninklijke Maatschappij Sint Hubertus. De wedstrijd wordt gespeeld in IWR 3 en staat open voor alle werkhondenrassen. Slechts 2O combinaties mogen deelnemen. Selectie voor deelname is een prestatie op zich. Om in aanmerking te komen moet je minimaal vijf resultaten voorleggen, behaald op CAC en/of CACIT-IWR in klasse 3 met een minimum puntenaantal van 80/70/80. Die resultaten moeten behaald zijn in de loop van één seizoen en ze moeten verspreid zijn over minstens drie provincies. Daarenboven moet één van die uitslagen genoteerd zijn op een CAC- IWR Speciale, waarvan er maar twee per seizoen worden georganiseerd.

CAC-IWR wedstrijden zijn de competities die beslissend zijn voor de titel van “Werkkampioen” en op dat niveau is enkel klasse 3 van tel: het gaat hier om pure topsport. En die topsport wordt gedomineerd door de herdersrassen. Tot ongeveer 1992 met een overwicht van Duitse Herders, daarna van Belgische Herders, vooral Mechelaars. Op de lange erelijst staan 1 Beauceron (en dat is ook een herdersras), 1 Dobermann en 1 Rottweiler. De rest zijn Duitse herders en Mechelaars.

 

Geen enkele boxer is er ooit in geslaagd zich te kwalificeren voor deelname, tot dit jaar dus.

 

“URSU” werd geboren op 24 augustus 96 uit een combinatie van Sultan van Sapho’s Hoeve en Sabrina van Sapho’s Hoeve. Hij was de enige reu in een nestje dat particulier gefokt werd en zijn eerste zes maanden waren niet veelbelovend. Het begon met een tikfout op het kantoor in Brussel waar zijn naam geamputeerd werd van Ursus tot Ursu en het eindigde ermee dat hij thuis in samenwerking met zijn moeder de boel zodanig op stelten zette, dat zijn fokker/eigenaar hem ons kwam aanbieden in een poging een deel van het huisraad en de familiale gemoedsrust te redden. Sultans gele zoon, een kruidvat van zes maand, kwam zodoende onder de hoede van Ingmar, het begin van een verhaal.

 

In het geboortejaar van Suus – zo herdoopt omwille van de eenvoud – nam Ingmar met Sultan voor het eerst deel aan het WM-Atibox dat toen nog  volgens het Schutzhundprogramma werd gespeeld. Op een puntje na mistte hij het SchH 1 podium in Hagen (D) en werd vierde. Het jaar daarop in Castano Primo (I) kwam hij wel, als tweede, op het SchH 2 schavotje. Ondertussen groeide Suus uit tot een middelgrote vierkante reu, lichter gebouwd dan zijn vader en dus sneller. Zijn donkere ogen toonden een kwikzilveren alertheid, maar ook zoiets als “ernst” - wat ik nog nooit bij een zo jonge reu had gezien. Hij leek ook introverter en harder dan zijn vader. Dat eerste was niet moeilijk want Sultan was ondanks zijn turbulente eerste levensjaar (dat is een ander verhaal) een zeer open boxer. Het tweede was wel moeilijk.

Hoewel Ingmar Suus bijna van meetaf aan als de “opvolger” zag, liet hij hem zijn vlegeltijd uitleven en werd de opleiding consequent maar eenvoudig en gevarieerd gehouden.

 

1999 zou Sultan’s jaar worden: hij was ondertussen in de fleur van zijn leven en op het toppunt van zijn kunnen als competitieboxer. Op de Atibox in Bonn (D) trad hij aan in SchH 3 en werd knap achtste. Later op het jaar, in koud regenweer nam hij in Lelystad deel aan het Clubkampioenschap van de

Nederlandse Boxerclub. Hij won de IPO 3 klasse en werd de eerste en totnogtoe enige “NBC Clubwinnaar”. Op de terugweg had Ingmar besloten om de werkcarrière van Sultan te laten eindigen op een hoogtepunt, een klassieke zege. Ik weet nog steeds niet wat me blijer maakte, de titel die ze behaalden of zijn beslissing.

 

I998 en 99 waren sleuteljaren: zijn opleidingstechniek was altijd al ‘zachter’ en bedachtzamer geweest dan wat je doorgaans op terreinen ziet. Nu koos hij resoluut voor een methode die verder bouwde op de inzichten van Karin Pryor. Sultan’s opleiding was nog een mix, die van Suus was dat al veel minder. In de lente van 99 had Suus met enkele maanden tussentijd zijn IWR 1 en 2 certificaten behaald met constante 276/275 totalen en met telkens 96 in verdediging. De training verliep nu op kruissnelheid.

Hoofddoel voor 2000 was de Atibox opnieuw in Castano Primo(I). Het Weltmeistershaft dat de Italianen koppig omdoopten tot Campionato Mondiale, tot in de officiële stempels toe. Suus was gemeld in SchH 2. Gehoorzaamheid (84) en Verdediging (94) liepen vlot, maar de speurproef was een misser. Het was al langer duidelijk dat speurwerk zijn achillespees was: het belette niet dat Ingmar even goed moest slikken. Als leerlingen van de Oude Boxerschool konden we dan wel zeggen, beter gezakt in speurwerk dan in verdediging – maar voor sportmensen is dit klinkende onzin. 2000 was daarmee niet verloren: Suus behaalde wel zijn IPO 3 met een totaal van 278 punten, 98 in Verdediging en een 95 in speuren. De ene dag is de andere niet.

 

De planning voor 2001 werd gesplist. Het voorjaar zou worden opgebouwd naar de Atibox in Slowakije toe, daarna enkele maanden relatieve trainingsrust en een heropbouw in het najaar. In april 2001, op het WM-Atibox in Vrbové (SK) was Suus gemeld in SchH 3. Het was de vijfde opeenvolgende deelname van Ingmar aan deze hoogste boxercompetitie. Twee jaar eerder was hij in klasse 3 aangetreden met de vader van Suus. Maar de herinnering aan de speurkater van 2000 bleef spoken. Het liep goed dit keer: speuren 91, gehoorzaamheid 87. De laatste proef, de verdediging, werd door de Duitse keurmeester, Wolfgang Karle, als foutloos beoordeeld: 1OO. Met een totaal van 278 punten evenaarde Suus zijn beste resultaat ooit en werd vierde, op drie punten van het podium. Vooral de 100/100 in Verdediging bleef hangen: een zeldzaamheid, zeker op dit niveau.

 

Het eerste doel was bereikt en Suus kon de volgende twee maanden in alle rust genieten. Dat was echter niet het geval voor Ingmar die naast het werk in de kennel, het pension, de tentoonstellingen, de club en de stages nog enkele boxers op training had voor hun IWR 1 certificaat. Dat iemand graag werkt met een boxer en als het goed gaat, ook aan competities wil deelnemen, kan ik begrijpen. Al zal men mij nooit van enthousiasme kunnen beschuldigen. Als die competitie buiten boxerverband gebeurt verlies ik mijn begrip en mijn pedalen. Je betreedt een terrein waar andere normen en gebruiken gelden: die van de herders en hun mensen. Daar blijf je als boxermens beter weg. Mijn mening, niet die van Ingmar.

Door zijn opleidingswerk en zijn functie als pakwerker was hij al jaren op allerlei IWR clubs actief. Meestal tussen andere rassen. Altijd weer moeten opboksen tegen de vooroordelen over de boxer, vermengd met een snel groeiende afkeer van de stereotiepe opleidingsmethodes die nooit in vraag werden gesteld, leidden ertoe dat zijn besluit vast stond. Hij moest en zou bewijzen dat een goed opgeleide boxer ook op hun hoogste niveau kon meespelen: hij zou proberen de selectie te halen voor de Grote Prijs van België. Niets meer niets minder. In die gedachte werd hij nog aangemoedigd door enkele (herders)mensen uit Sectie 1C: het IWR had het moeilijk en kon wel een injectie vanuit andere rassen gebruiken. Al was het dan maar om de aantallen op te krikken en het overwicht van de herders nog beter in de verf te zetten. We kregen het thuis op de heupen. Meer dan één discussie verliep op het scherp van de snee en de deuren zijn er sindsdien ook niet beter op gaan sluiten. Maar uiteindelijk was het zijn beslissing. Dat verdiende respect maar eigenlijk hoopten we alleen maar dat hij zijn vingers niet te erg zou branden.

 

De eerste CAC wedstrijd werd al eind augustus gespeeld in Solre Sur Sambre. Suus was nu vijf jaar: sterk, snel en alert. Hij was een IWR 3 / SchH.3 competitieboxer, met een enorme trainingservaring maar met slechts 6 wedstrijden op 6 verschillende terreinen op zijn actief: 1 IWR1, 1 IWR2, 2 IWR3, 1 SchH2 en 1 SchH3. In die 6 wedstrijden was hij door 12 verschillende keurmeesters beoordeeld. Bij de competitieboxers stond hij, zeker na Vrbové internationaal mee aan de top. Maar was dat genoeg voor een zenuwslopende opeenvolging van CAC-wedstrijden, waar zelfs ervaren herdersrotten van wakker lagen? Ik wist dat de band tussen Suus en Ingmar hecht was, maar alles en iedereen heeft een breekpunt. Kortom: we waren er niet gerust in. Die eerste wedstrijd verliep goed: 265 punten met een 97 in Verdediging.

De tweede wedstrijd kwam al twee maand later, eind oktober op het terrein van ASC Lobbes: een CAC-CACIT wedstrijd. Met andere woorden: ééntje die meetelt voor de titel “Internationaal Werkkampioen” én waar het keurmeestergild op scherp staat. De uitslag: geslaagd, 258 punten. Wat Ingmar toen nog niet wist: deze wedstrijd zou nooit in aanmerking komen. In speuren had Suus 79 laten noteren, voldoende voor een normale wedstrijd en ook voldoende om te slagen, maar niet voldoende om de wedstrijd te laten meetellen voor de uiteindelijke selectie: op speuren moest 80 gehaald worden. Dat éne puntje zou nog grote gevolgen hebben. Veel tijd om daarover te piekeren zou hij toch niet hebben gehad: begin december was er een nieuwe wedstrijd, in Geel. Hetzelfde totaalresultaat werd behaald als in Lobbes maar nu met 85/80/93. Ditmaal een geldig resultaat dus.

 

Het was een verademing dat de kerst en nieuwjaarsperiodes eraan kwamen. Niet voor de feesten, maar omdat er rond die periode geen selectiewedstrijden georganiseerd werden. Trouwens: hoe was de situatie rond kerst 2001? Met drie geslaagde CAC wedstrijden in evenveel maanden en in verschillende provincies liep de voorselectie zo goed als maar mogelijk was. Ingmar wist nog steeds niet dat de tweede wedstrijd zou wegvallen. De vraag of de behaalde punten voldoende zouden zijn om in de “Final Twenty” te worden opgenomen, zou natuurlijk tot na de laatste wedstrijd openblijven. En het zou kantje boord worden.

Suus was vermagerd, Ingmar ook. Als wij ons al zorgen maakten, Ingmar ook: Suus begon haperingen in zijn werken te tonen. Kleine dingen, slimmigheden eigenlijk. Tijdens een wedstrijd kan je niet bijsturen. Dat heeft elke hond vlug door, zeker een Boxer. Door de snelle opeenvolging van wedstrijden is er ook weinig of geen tijd om de training op die haperingen toe te spitsen. Dat heeft ook geen zin: je weet nooit vooraf of dat niet elders zijn weerslag zal hebben. Dus moet je de boxertrucjes op de koop toe nemen.

Dat was nieuw, voor beiden. Suus had tot nu toe maximaal twee wedstrijden per jaar gespeeld. Na iedere wedstrijd kon op een geduldige manier worden bijgetraind. Hij kende dat ritme. Nu was het anders. Ingmar was er op ingesteld met telkens één boxer naar één wedstrijd toe te werken. Hetzij met boxers die een I-certificaat moesten halen (en die daarna nooit meer een oefenterrein zouden zien), hetzij met zijn eigen boxers. Het gaat daarbij in beide gevallen om een maandenlange opbouw naar één wedstrijd toe. Hier was het anders: het kwam erop aan een team op de rails te houden, te laten presteren in een snelle opeenvolging van wedstrijden met bijzonder weinig ruimte voor correctie. Geleider en Hond moesten in de eerste plaats gezond blijven ( een simpele kwetsuur of ziekte kan een team finaal uit de competitie knikkeren). In de tweede plaats moet de vertrouwensband ten allen prijze intact blijven. Een scheurtje in die relatie kan de combinatie, evengoed als een fysieke kwetsuur, uit de running halen. Dit was niet enkel maandelijks presteren op topniveau, het was daarenboven een uithoudingsproef op alle vlakken. Het is trouwens gemakkelijk te vergeten dat deze proef, niet enkel de wedstrijd maar ook de training, zich in de late herfst en de winter afspeelt, in koude, vocht en wind dus. En daar zijn herdersrassen nu eenmaal beter voor uitgerust dan een kortharig ras.

 

Met die stand van zaken werd het 2002. De Grote Prijs van België IWR zou in het najaar worden gespeeld. Het Atibox-WM, dit jaar in Benicarlo (Spanje) al in de lente. Hij moest nog minstens twee CAC wedstrijden spelen. Ingmar twijfelde maar schreef Suus toch in voor de Atibox, klasse 3. In die eerste weken van januari leken beide competities nog veraf.

De nieuwjaarsindigesties waren nauwelijks over of er stond een barkoude wedstrijd in het Luxemburgse Grace Hollogne te wachten. Dit was geen opwarmertje voor de rest van het seizoen: de wedstrijd was opgevat als een CAC-CACIT die het statuut van “Speciale” kreeg. Met andere woorden, dit was een wedstrijd die meetelde voor het behalen van de titels Nationaal en Internationaal Werkkampioen en die daarenboven op het lijstje van verplichte wedstrijden voor de selectie voor de Grote Prijs van België was geplaatst. Een wedstrijd met vier keurmeesters.

Toen ze s’avonds heel laat uit de Ardennen terugkeerden liepen zowel Suus als Ingmar er nog stijf van de kou en de zenuwen bij. Maar met 84/73/94 waren ze wel geslaagd. Na enkele dagen ontdooien was Ingmar weer aanspreekbaar: tevreden over het speuren en de verdediging, maar een bevestiging van zijn vrees: Suus maakte in de gehoorzaamheid steeds meer foutjes. Kleine foutjes die op het niveau van een Speciale, waar je met een bizarre verschijning als een Boxer tussen 30 herders even anoniem was als een kat in een visbokaal, zonder pardon werden afgestraft. Foutjes ook die gemakkelijk konden worden bijgewerkt, maar waar nu geen tijd voor was: de volgende wedstrijd vond al het weekend daarop plaats. Een CAC wedstrijd op Kynosclub Heule. Normaal gezien zou dit de vijfde en dus laatste wedstrijd worden van de voorselectie. Ingmar wist dat hij in een officieuze en voorlopige selectie was opgenomen, maar het was letterlijk een kwestie van enkele puntjes. Eén uitglijder op eender welke oefening en hij viel buiten de selectie. Hij had besloten die week helemaal niet met Suus te trainen. In plaats daarvan gingen ze wandelen op het verlaten winterstrand achter de kazerne van Lombardsijde. Een verstandige beslissing en of het daaraan lag of niet maar Heule werd een betere wedstrijd dan Grace Hollogne: 87/88/9O (265). Ronduit goed.

Die avond hadden we allemaal tevreden kunnen zijn: de selectiewedstrijden achter de rug, stress weg, Suus kon een maand rusten, Ingmar kon op zijn positieven komen en dan was er nog een kleine maand om terug op te bouwen naar Benicarlo. En met wat geluk zou in het najaar dan de Grote Prijs volgen – als de puntentotalen voldoende waren natuurlijk. Maar er zitten altijd addertjes onder het gras: na de wedstrijd in Heule vernam Ingmar dat zijn tweede wedstrijd niet in aanmerking kon komen door dat éne puntje (79) dat hij tekort kwam. Je oren tuiten en je bent zeker dat je het in Keulen hoort donderen, maar er  valt niets aan het verdict te veranderen.

 

Concreet betekende dit reglementaire weerhaakje dat Ingmar nog een CAC wedstrijd moest lopen, of … de zaak laten voor wat ze was. Dan kon hij zich volledig toeleggen op de Atibox. Zo eenvoudig was dat echter niet. Hij had zich nu eenmaal tot doel gesteld: een Boxer in de selectie voor de Grote Prijs te brengen, voor de eerste maal in de geschiedenis van de Belgische kynologie. Al bijna zeven maand was hij daar mee bezig. Blood, sweat and tears, jawel – maar hij maakte een redelijke kans. Kon hij nu, net voor de laatste hindernis, afhaken? Ik ben zeker dat hij eraan gedacht heeft. Ik geloof zelfs dat hij het wilde, de hele zaak afblazen. Wat had hij per slot van rekening voor zichzelf of voor Suus te verliezen? Ze waren in alle vijf IWR CAC’s in klasse 3 geslaagd. Maar het ging niet om hém en zelfs niet om Suus: hij wilde zijn ras, de Boxer, laten selecteren voor de meest prestigieuze IWR wedstrijd in België. Dat stak in zijn kop: er was geen andere keus dan door te gaan.

Er bleef nog één CAC wedstrijd die enigszins in de kalender wou passen, 7 april in Werchter. 19 dagen voor de Atibox. Suus werd ingeschreven voor Werchter, hoewel het overduidelijk was dat hij rust nodig had. Ook Ingmar was aan het einde van zijn bobijntje. Eigenlijk was dit voor beiden roofbouw. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de uitslag de minste goede van het hele rijtje werd, maar toch voldoende om te slagen. Na Werchter was het afwachten op de officiële puntenlijst van alle combinaties.

 

Ondertussen was er de vraag wat te doen met de Atibox. Rond kerst waren Ingmar en Vicky naar Benicarlo getrokken om er een hotel te vinden, de speurvelden en het stadion te bekijken. Alles was geregeld, maar voor ons was het zo klaar als een klontje dat zowel Suus als Ingmar dicht bij een burn-out stonden. Ingmar twijfelde. Het was onbegonnen werk om binnen een tijdsbestek van veertien dagen Suus terug in conditie te brengen (fysiek en psychisch). Dat gold ook voor hemzelf. Dat wist hij wel maar toegeven is wat anders. Daarenboven had Suus zich op de laatste wedstrijd behoorlijk missprongen: hij bleef manken. Uiteindelijk hakte hij de knoop door. Benicarlo werd geschrapt. Als hij in de selectie kwam, zou alles op de Grote Prijs in oktober worden gezet. Op die manier had Suus de hele zomer rust. De beslissing was niet van harte want na vijf jaar deelname was de Atibox “zijn” competitie geworden. Je liet dat niet zonder reden links liggen. Maar eenmaal de keuze gemaakt, – volgens ons de enig mogelijke - viel de spanning weg.

 

Inschrijving voor de Grote Prijs, met voorlegging van de vijf CAC-resultaten, sloot op 15 mei. Met het wegvallen van Lobbes kon hij wedstrijden in vijf provincies voorleggen: Henegouwen, West-Vlaanderen, Vlaams Brabant, Antwerpen en Luxemburg. Twee maand later viel een brief van Koninklinklijke Maatschappij Sint Hubertus in de bus. Suus en Ingmar werden door de K.H.S.H. uitgenodigd deel te nemen aan de Grote Prijs van België: ze hadden de finale selectie bereikt.

Het was nu een feit: voor het eerst was een Boxer geselecteerd voor de Grote Prijs van België IWR alle rassen. Ik geloof dat Ingmar nog steeds die brief op zijn bureau heeft staan, en terecht: het is een adelbrief, niet enkel voor Suus en voor hem, maar voor de Boxer.

 

Suus was ondertussen hersteld van zijn kwetsuur, zijn conditie was door lange strandwandelingen weer tiptop en hij had opnieuw honger naar het terrein. Augustus is een pensionmaand en september is naar traditie de maand van de grote Boxertentoonstellingen. De trainingen liepen tussendoor. Er moest niets geforceerd worden: het voornaamste doel was bereikt, de selectie. Over plaatsing moesten ze zich geen illusies maken: het ging erom te kunnen deelnemen en een prestatie naar bestvermogen neer te zetten.

 

De “Grote Prijs van België IWR alle rassen 2002” werd georganiseerd door HV Witven op hun terreinen in Beerse. 20 oktober was de datum. Naarmate die dag naderbij kwam steeg de koorts toch. Het moet akelig voelen te weten dat de top van het IWR wereldje op je vingers zal staan kijken. Niet omdat je een directe concurrent voor de ereplaatsen bent, maar omdat jij daar op hun domein met een Boxer kan deelnemen. Suus had er minder last van maar Ingmar zag ondanks zijn ervaring toch maar bleekjes toen hij vertrok. Gelukkig was Vicky mee om de eerste golf van zenuwen op te vangen. De wedstrijd werd gekeurd door 3 keurmeesters, de heren Leclercq, Vanlonderzeele en Van de Poel, onder  supervisie van de voorzitter van Sectie 1C, Dhr.Alfons Van den Bosch en de Afgevaardigde van de K.M.S.H. dhr. Thibault. Het selecte deelnemerslijstje waarvoor zich uiteindelijk slechts 18 combinaties plaatsen en 15 daadwerkelijk aantraden, bestond uit 6 Duitse Herders, 8 Mechelaars en 1 Boxer. Zoals op een dergelijke wedstrijd mag worden verwacht, werd met de ogen wijd open en naar de letter van het reglement gekeurd.

 

Die avond zouden drie Mechelaars op het podium staan. Op één, Geert Verlinden met Utamarou des deux Pottois die deze wedstrijd ook al wonnen in 1999 en 2OOO, en die enkele weken later ook Belgisch Kampioen IWR bij De Belgische herders zouden worden. Op twee, iemand die zijn carrière ooit begonnen is met een boxer maar, teleurgesteld, naar de Mechelaars is overgestapt: Guido Bervoets met Viola van de Berlexhoeve. Op drie, Fred Cuypers met Valentin van Joefarm, Wereldkampioen IWR 2002 bij de Belgische herders en Winnaar van deze wedstrijd in 2001. Niet dat Belgische Herders mij danig fascineren maar om een idee te geven van de kwaliteit van de teams die op dit niveau acte de présence geeft.

 

Suus en Ingmar liepen een gespannen maar solide wedstrijd en eindigden twaalfde met een totaal van 256 punten (92/76/88).

Ironisch was dat de speuroefening voor het eerst in zijn carrière de beste van zijn wedstrijd was: totnogtoe was dat onveranderlijk de verdediging geweest. Suus oordeelde blijkbaar dat hij de vooroordelen wat moest bijstellen en dat hij dat het best kon doen op de plaats waar hij geschiedenis schreef. Enig opportunisme is ook hem niet vreemd. De ontlading nadien was navenant de prestatie. Al gebeurde dat grotendeels in gezelschap van herdersmensen. Een aandenken dat de voorzitter van de KBBC, Nicolas limon, terplaatse namens de club overhandigde werd geapprecieerd, maar kon de onverschilligheid van de boxermensen niet verdoezelen. Dat interesse en waardering vanuit de KMSH, de KKUSH en vanwege buitenlandse boxermensen kwam en niet vanuit de eigen Belgische boxerwereld, is een naakte constatering. De lezer is, zoals altijd, vrij daar zelf conclusies aan te verbinden.

 

Uit nieuwsgierigheid heb ik wat getallen in het werkboekje van URSU opgezocht.

 

Tussen maart 99 en oktober 2002 heeft hij in totaal 13 IWR/SchH. wedstrijden gespeeld.

11 keer geslaagd, 2 maal gezakt wegens onvoldoende in het speuren.

Van die 13 wedstrijden waren er 10 in klasse3.

4.       Hij nam deel aan 6 CAC, 2 CACIT en 2 Weltmeister-Atibox wedstrijden plus 1 Grote Prijs van België.

Op die 13 wedstrijden fungeerden in totaal 28 keurmeesters, van de Voorzitter van Sectie 1C tot de werkverantwoordelijke van de Atibox.

De 13 wedstrijden werden op 11 verschillende terreinen gespeeld, waarvan slechts éénmaal op een boxerterrein ( Kortenaken) en geen enkele op de eigen club.

De gemiddelde scores over alle wedstrijden waren: 8O Speuren, 83 Gehoorzaamheid en 93 Verdediging.

De hoogste scores: 95 Speuren (bij het afleggen van zijn IWR 3), 92 Gehoorzaamheid (op een CAC/CACIT) en 100 Verdediging (op een WM-Atibox). Bij zijn eerste wedstrijd was Suus drie en bij zijn tot nu toe laatste zes jaar.

 

Voor een bazig en vervelend boxerreutje waar geen land mee te bezeilen viel en dat het huis uit moest, is dat niet slecht.

Zeker niet als je in gedachten houdt dat Suus niet kon genieten van het privilege dat de meeste wedstrijdhonden hebben: een geleider te hebben die zich enkel en alleen met hem bezighield. Zijn geleider is in de eerste plaats boxerfokker. Naast zijn dagelijks werk in de kennel en in het pension, leidt hij daarnaast boxers van andere eigenaars op, is pakwerker op verschillende clubs, runt een eigen bescheiden IWR club, stelt Boxers voor op de belangrijkste tentoonstellingen in Europa en vecht ( onder andere binnen de KBBC) voor de integriteit van zijn Ras.

 

Het zijn knappe mensen die de moed hebben hem te beschuldigen van dierenmishandeling, omdat hij een gecoupeerde pup voorbracht op een Belgische boxertentoonstelling. Brieven aan Ministerie, aan het FCI (sic), aan BK-München enzovoort. Echte klasse. Ik kan nauwelijks wachten om de ongetwijfeld impressionante lijst van hun verdiensten in functie van het Ras te bewonderen.

En ik weet niet of ik nu uit de school klap, maar voor hun informatie het volgende: de trainingen van deze top IWR 3 Boxer, sinds de wedstrijd in Werchter, bestonden hoofdzakelijk uit twee activiteiten. Ravotten op verlaten stranden en het met de clicker aanleren van..Dogdancing. Ze doen het trouwens al heel behoorlijk. Wie weet… .

 

Johan Sioen.