Ingmar Sioen.
In de lente van 2001 is “Teck del Colle dell'Infinito”, na een jarenlange omzwerving doorheen Europa, gestorven: hij was 10 jaar jong en sinds kort terug in z’n geboorteland.
Niet enkel omwille van zijn grillige carrière en
zelfs niet omwille van zijn verervingskracht – uiteindelijk zijn grootste
verdienste – zal deze Italiaanse reu een begrip blijven, maar omwille van het
feit dat hij nog bij leven is uitgegroeid tot het symbool van een totaal nieuwe Boxerscène. In meer dan één
opzicht.
Teck werd in het voorjaar van 1991 geboren in de
kennel van Allesandro Tanoni, “del Colle dell'Infinito”, aan de boorden van de Adriatische kust. Vijf
jaar voor dat de boxer als ras z’n honderdjarig bestaan zou vieren, in ‘96. Nog
eens vijf jaar later stierf hij. Wie de ontwikkeling van het ras wil bekijken
zal zijn beeld naast de overbekende foto van enkele van de Duitse clubstichters
met hun boxers moeten plaatsen. Omziend in verwondering zal hij constateren dat
uit de brok ruwe diamant een gaaf en bij momenten adembenemend juweel is
geslepen.
Dat deze grote goudgestroomde reu, in wie substantie
en adel naadloos in elkaar opgingen en die in iedere ring indruk maakte met
zijn fenomenaal loopvermogen , precies in de kennel van Tanoni werd geboren is
geen toeval maar het resultaat van zicht op
structuur en geschiedenis van het ras – sterk beïnvloed door zijn
leermeester Dr.Tomaso Bosi, één van de peetvaders van de Italiaanse boxerrijkdom
en zelf fokker van één van de eerste Atiboxwinnaars, Tazio Val di Senio (1973)
– én de toepassing daarvan in een consequente lijnfok op de best verervende
lijn binnen het ras, namelijk die van
Witherford Hot Chestnut lopend over Carlo üt Gutsel, Iko von Springbach, Carlo
von Henningshof, Carlino von Nassau Oranien en Bruno von der Morsbach naar
Xanthos vom Bereler Ries.
Vader van Teck was de bekende gele kleinzoon van
Xanthos vom Bereler Ries, Mirco vom
turmblick. Zijn moeder: Fionda del
colle dell’infinito, een dochter van Tito del Colle dell’Infinito en Louisette
della Val di Senio, één van de hoekstenen van de kennel en moeder van 5
kampioenen waaronder Olimpio. Fionda op
haar beurt bracht niet enkel Teck als kampioen maar ook Thomas en de bijzonder expressieve Bijou,
die nog in het geboortejaar van Teck de kennel z’n eerste Atiboxtitel zou
schenken.
De internationale doorbraak van de Italiaanse fok
was al in ‘87 merkbaar toen Ketti della Quatro Strade de Atiboxtitel bij de
gele teven zeer overtuigend behaalde. Een kentering die werd bevestigd toen de
gestroomde teven Cosima della talpa en Saionara Lady dat in resp. ‘88 en ‘89
overdeden. In ’90 was er geen Italiaanse winnares – maar in dat jaar gingen
drie van de vier titels bij de reuen naar in Italië gefokte boxers: Oz del
roxius, Quarry degli Scrovegni en Raf della Galassia.
Vanaf dat ogenblik was de decennialange dominantie
van de Duitse fok voorbij. De laatste Duitse Atiboxwinnaar bij de volwassen
reuen is Patrick vom Stedinger Hof in 1992 – zeer terecht overigens -, maar
daarna blijft het Duitse boxerfirmament op enkele schaarse opflakkeringen na
zwart.
Nog in datzelfde jaar 1992 zijn de drie andere
Atiboxtitels bij de reuen opnieuw voor Italiaanse boxers: Olimpio del Colle
dell’ Infinito, Alf dei Due castelli én Teck bij de gestroomde jeugdreuen. Teck
schittert dat jaar voor het eerst: in Dortmund wordt hij Bundesjugendsieger, in
Valencia Wereldjeugdkampioen en in Sirmione dus Atiboxjugendsieger. Hij valt op
door zijn enorme uitstraling, zijn correct totaalbeeld, z’n loopvermogen en
door nog iets: de kalme, gecontroleerde en professionele wijze waarop hij wordt
voorgebracht. Dat is een stijlbreuk in de boxerwereld. En het zal vlug blijken
dat niet iedereen daar gelukkig mee is. Op dat ogenblik namelijk wordt de
donkergestroomde Olimpio del colle dell’Infinito, een Tito-zoon met een
wondermooi hoofd, in Duitsland voorgebracht door Walter Schurmann die
consequent een stijl van handling in de boxerwereld introduceert die gebaseerd
is op de techniek die wordt gebruikt bij de belangrijke tentoonstellingen van
Duitse herders: een stille, gemillimeterde, bijna klinische standkeuring
gekoppeld aan een zeer gedisciplineerde, strakke drafloop gebaseerd op
souplesse en een correcte lichaamsbouw. Bij Olimpio wordt deze voorstelling nog
bekeken als curiosum. Wanneer diezelfde handler, intussen vast verbonden met de
kennel, op dezelfde wijze Teck voorbrengt – en daarmee niet enkel de
voortreffelijkheid van z’n eigen boxer, maar tevens de amateuristische ringpresence
van de concurrentie in de verve zet – zet dat kwaad bloed. Ook van dit
vakmanschap zal Teck het symbool worden, en de trendsetter: na Teck zal een
boxer voorbrengen in de ring nooit meer hetzelfde zijn. Teck zal er de rest van
zijn leven tegen opboksen en in het officiële moederland van de boxer zal hij
nooit een belangrijke titel behalen. Maar dat heeft ook andere gronden.
We verliezen niet uit het oog dat in die vroege jaren negentig de Oost-Europese grenzen opengaan. Topfokkers uit de voormalige DDR, Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Kroatië laten de kans niet liggen en zijn de eersten die intensief de belangrijke reuen uit het “westen” gebruiken, goede fokteven aankopen en vaak al binnen één of twee generaties het beste “westers” niveau halen. Omgekeerd gaat een select aantal fokkers uit het “westen” de tentoonstellingen in die landen opzoeken en krijgt daardoor zicht op de fok in die landen.
Diezelfde fokkers concentreren zich ook niet langer
exclusief op Duitsland: tentoonstellingen in Italië, frankrijk, Spanje en
Portugal worden gretig bezocht terwijl zuideuropese boxers geregeld te gast
zijn op meer noordelijke tentoonstellingen. Waar het fenomeen van
“dekstationering” in de boxerwereld een marginaal verschijnsel was – met de
Wereldkampioen van 77 Casper als bekendste voorbeeld – is dat na 1995 totaal
anders geworden. Intussen zijn ook de bloedlijnen zodanig vermengd dat voor het
eerst met recht kan gesproken worden over een Europese Boxer. Voor een juist
begrip: dit de facto ontstaan van een Europese boxergemeenschap ( elitair zeer
zeker, maar iedere vakbekwame rasfok is dat per definitie – relevant verschil
is hier de schaalvergroting en de toenemende professionalisering) is een zaak
van individuele fokkers, niet van Clubs. Die laatsten hebben er zelfs
behoorlijk moeite mee, en dat des te meer naarmate ze sterker gestructureerd
zijn en in eindeloze regelgeving verstrikt zitten.
Teck del Colle dell'Infinito is van dit ontstaan van
een Europese Boxergemeenschap het symbool bij uitstek geworden. Niet enkel zijn
pendelen tussen Italië en Duitsland, gekoppeld aan zijn latere langdurige dekstationering in Spanje zijn daaraan
debet maar tevens het feit dat hij de eerste boxer is die met succes, en over meerdere
jaren gespreid, zoiets als een Europese carrière zal opbouwen. Hoewel hij als
jongvolwassen boxer in ’93 en ’94 keer op keer, en soms op schrijnende wijze, net naast belangrijke
titels grijpt slaagt hij er in, de daaropvolgende jaren officiële erkenning te winnen: Italiaans
kampioen en clubkampioen, Oostenrijks Jahressieger, Hongaars Jahressieger,
Italiaans Jahressieger in 1995, Spaans Jahressieger in 1996 en uiteindelijk
Atiboxsieger in 1997. Maar niet: Duits Jahressieger of Bundessieger -
het officiële moederland zal in hem het symbool van haar eigen steriliteit
gestalte geven – en hem dat nooit vergeven.
Het loont de moeite om de carrière van Teck nog even verder te volgen. In 92 behaalt hij dus als jeugdhond drie belangrijke titels, waaronder de Atiboxjeugdtitel. Het jaar daarop botst hij op Fromm della Galassia terwijl Bosko della Cadormare de gele kleurslag wint. Datzelfde duo doet dat in 94 over, overigens tot grote verbazing van de fokker van Bosko die op dat ogenblik z’n jongere reu Cagliostro della Cadormare daar verwacht. De jeugdtitel bij de gestroomde reuen gaat dat jaar naar David Del Colle dell’Infinito, een Teck-zoon. In 95 verliest Teck in een hilarische finale de titel aan Furio van Wordanis terwijl Tenor de Loermo de gele titel van Bosko overneemt. 1996 wordt een groots jaar voor de kennel van Alessandro Tanoni: Terzo wint de titel bij de gele reuen en …David bij de gestroomde. Niet Teck, maar zijn op dat ogenblik bekendste zoon dus. Pas het jaar daarop in Padenghe slaagt Teck erin de belangrijkste titel binnen te halen - vijf jaar na zijn jeugdtitel. Xanto de loermo wint dat jaar de gele kleurslag.
In 98 wint een kleinzoon van Teck de titel bij de gele reuen: Magnum di massumatico. 1999 wordt een nog belangrijker jaar : een zoon wint de gele titel, Nick de Ruphete, terwijl de twee jeugdtitels naar resp. zoon en kleinzoon gaan: Zeffiro della cadormare en Yasper z. Liebenburg. In 2000 is het even stil want in Portugal gaan de volwassen titels naar Franklin-Django van de Matenhof en Class de Aikhall. ( Ago del Colle dell’Infinito wint wel de gele jeugdtitel) maar in 2001 zijn beide titels voor resp. Teck-zoon en –kleinzoon : Zeffiro della cadormare en Saverio di Soragna. Een maand later wordt Zeffiro in Porto Wereldkampioen. En ik heb het hier enkel over de titels bij de reuen.
Wat de Atiboxtitels
betreft: vanaf 1991 gaat een jeugdtitel 7 maal naar een boxer uit de
kennel van Allesandro Tanoni ( Playa, Pamela,Guenda,Fratz,Zoè,Teck,David en
Ago) en van de volwassen titels eveneens 7 maal ( Bijou,Playa, Fratz, Olimpio, Terzo,
David en Teck).
Alleen al op grond hiervan kan men stellen dat, als
exponent van de Italiaanse boxerfokkerij, deze kennel de jaren negentig en de
eerste jaren van dit decennium beheerst. Gemakshalve laat ik alle kennels
buiten beschouwing die ofwel rechtstreeks gebouwd zijn op honden uit de kennel
van Alessandro Tanoni, dan wel grondig
erdoor zijn beïnvloed. Van deze kennel is Teck – of de fokker dat nu wil of
niet ( zelf gebruikt hij de hoofdstudie van Olimpio als logo, een
begrijpelijke keuze die ik graag mag
delen) - het visitekaartje geworden.
Teck staat in rechte lijn over Mirco vom Turmblick en Apoll von Bereler Ries op
Xanthos, en op die manier is hij dé vertegenwoordiger van deze lijn in de jaren
‘90.
Twee kanttekeningen daarbij.
In de kennel zelf is ook via Hoss von der Goldquelle
verder ingefokt op deze lijn, maar dan direct op Carlino ( zonder Xanthos of
Bruno dus), anderzijds loopt de tak van Olimpio over Tito terug naar Bruno en
dus Carlino ( eveneens zonder Xanthos ). Het zal dus zeer interessant zijn om
te zien welke tak, of welke combinatie van takken, het best het type kan
vasthouden. Zeker nu we weten dat sinds enkele jaren wordt gepoogd “vreemde”
bloedlijnen in te schakelen, waaronder de franse Xanthos-tak via Athos de
l’enfert Vert.
En daarmee ben ik bij mijn andere kanttekening: de
tweede tak die vanuit Xanthos het sterkst de Carlino-lijn lijkt door te zetten
is die van Athos. Via Plato van de hazenberg, via Hiram des Grands Fonds des
Abymes en vooral via Ibsen von der Sembacher Flur (halfbroer-halfzuster op Don
Carlos du fief des ilôts, een andere Athos-zoon) . Zoals we weten draagt Athos
via moeders zijde ook nog de erfenis van Perry du Chemin Fleuri ( een
broerzuster combinatie op Carlo) waardoor we de impact verzwaard ( én vernauwd)
zien. En dat zou misschien ook wel eens de achillespees kunnen zijn op lange
termijn. Afwachten.
Teck staat dus symbool, in de luwte van het
eeuwfeest van zijn ras, voor de kracht van de Italiaanse fokkerij, voor de
europeanisering en professionalisering van zowel fok als voorstelling, voor de
kracht van een realistisch fokprogramma gebaseerd op lijnteelt (vooralsnog) en
voor de boxer waarin kracht, adel, type en gezondheid nagenoeg perfect verenigd
zijn. Hij is de eerste boxer die men in levende lijve kent en waardeert van
Manchester tot Zagreb en van Gdansk tot Palermo: symbool van een decennium
waarna niets meer zou zijn zoals voordien.
Een echt Grote Boxer.
Ingmar Sioen.