Dit
artikel werd eerder gepubliceerd in het vaktijdschrift “INTERNATIONAL BOXER
MAGAZINE” nr. 4/2001, in engelse vertaling onder de titel “Listening to
Boxers….” en in italiaanse vertaling onder de titel “Ascoltando i Boxers…”.
Met dank aan Editrice
NETTUNIA, Granarolo (BO), Italië.
Zelfs bij diegenen die
dagelijks met honden omgaan ( in wat voor hoedanigheid ook) blijft het een
onderwerp waar nauwelijks over wordt gesproken, laat staan dat het invloed
heeft op de manier waarop met honden wordt omgegaan. Ik heb het over de
persoonlijkheid van individuele honden. Het woord “Persoonlijkheid”
wordt niet graag gebruikt in hondenmiddens, maar voor wat ik bedoel ben ik er
nog geen beter tegengekomen.
Zoals
nogal wat mensen weten leid ik boxers op. Het betekent niet alleen dat ik
iedere dag met hen oefen, maar ook en misschien belangrijker, dat ik dag in dag
uit tussen hen leef. Het geeft me de kans én uitdaging om te leren hoe ik een
individuele hond snel kan “inschatten” en hoe ik hem of haar bijgevolg op een
redelijk korte termijn een waaier van oefeningen kan bijbrengen. De enige
reden waarom dit lukt: ik respecteer hen. Dat betekent in mijn ervaring dat ik
hun persoonlijkheid aanvaard zoals ze is, in plaats van ze te (ver)vormen naar mijn wensen of
ideeën. Een aanvaarding op ieder vlak, niet enkel bij de opleiding maar in de totaliteit van de omgang met hen.
De persoonlijkheid van een individuele hond toont mij wat ik van hem mag en zal
verwachten, namelijk precies dat wat hij me kàn geven, niets meer
en niets minder.
Opleidings- en opvoedingsregels houden
geen rekening met de eigenheid van iedere individuele boxer en geven zo
aanleiding tot onbegrip, misverstand en frustratie. Eén en hetzelfde gebaar of
gedrag van de trainer kan op verschillende honden zeer uiteenlopende effecten
hebben. Een eenvoudig gebaar als het strelen van een hond is daar een bruikbaar
voorbeeld van.
Er zijn bijvoorbeeld
honden die graag lichamelijk contact hebben, graag gestreeld worden en die
precies die streling nodig hebben om te weten dat ze goed bezig zijn. Het is
een bevestiging van hun gedrag van het moment, niet noodzakelijk van hun
persoonlijkheid.
Andere hebben een voortdurende behoefte aan bevestiging,
aan vertrouwen – zonder dat vertrouwen dat hen constant gegeven wordt kunnen ze
de omgeving en wat die van hen verlangt niet eens ervaren, laat staan dat ze
zelfverzekerd en leergierig over een oefenplein zullen lopen. Hier staat
streling in een directe relatie met de persoonlijkheid, veel minder met het
actuele gedrag.
Nog andere hebben het vooral nodig na een oefening of een
stresssituatie te kunnen “op adem komen”, te kunnen kalmeren – zonder veel
nadere aandacht. Ook hier speelt een lichte, terloopse streling meer in op de
persoonlijkheid dan op het gedrag. Bij de hond komt het over als “ok, we leggen
er even de riem af, ik kan wat rusten”.
Bij nog andere volstaat het dat ze zich kunnen
“uitschudden”, alsof ze net uit een plas water kwamen – of dat ze ( al dan niet
denkbeeldige) jeuk kunnen wegkrabben.
Dat jeuk-wegkrabben kan echter bij een andere hond juist
betekenen dat je over de grens van zijn mogelijkheden bent gegaan en dat hij
een probleem niet kàn oplossen. Een streling op dat ogenblik fungeert als
geruststelling: niets aan de hand.
Het kan ook, bij een andere of bij dezelfde hond, precies
betekenen wat het is: namelijk dat die hond een puur fysieke irritatie heeft
die zo sterk is dat hij die onmiddellijk en voor alles zal proberen weg te
krabben. Als je hem dan streelt op de plaats waar het jeukt heeft dat niets met
“werk” te maken noch met zijn persoonlijkheid. Door de hond wordt het als
fysiek plezierig ervaren en kan het hoogstens zoiets als een primaire
roedelbevestiging betekenen.
Er zijn talloze variaties en het is soms erg moeilijk om
er achter te komen wanneer een bepaalde hond wat nodig heeft en waarom. Pas op
het moment dat je al die verschillende gedragingen kan onderscheiden en kan
duiden, kan je stellen dat je zoiets als “inzicht” hebt in de hond die traint. Je
weet dan wat die hond van je verwacht en wanneer hij dat verwacht
of nodig heeft en waarom dat zo is. Weten wat en wanneer een
individuele hond iets nodig heeft en waarom, is volgens mij de kern van een
bevredigende omgang met een hond en meteen ook van een succesvolle opleiding.
Twee voorbeelden uit
eigen ervaring om aan te tonen hoe de eigenheid van een hond – zijn
persoonlijkheid – meespeelt in de opleiding en bepaalt wat de betekenis van een
gebaar is:
1.
Een gestroomde reu van twee jaar. Zowel in de kennel als
in de alledaagse omgang gedraagt hij zich prima, een aangename boxer in alle
opzicht. Het aanleren van speurwerk en verdedigingsoefeningen verloopt zonder
grote problemen. In de gehoorzaamheidsoefeningen gebeurt er iets vreemds: een
hulpcommando na een aarzeling in een oefening is voldoende om hem volledig het
noorden te laten kwijtraken en na twee opeenvolgende, correct uitgevoerde
oefeningen blijkt het onmogelijk een derde te beginnen. In beide gevallen
verstart hij, zijn ogen schieten alle kanten op en hij loopt het terrein af
naar zijn kennel waar hij hijgend tot rust komt. Vijf minuten later is er niets
meer aan de hand en loopt hij zelf terug naar het terrein. Wat was er aan de
hand? Ik deelde de oefeningen in kleine fasen op, varieerde de opvolging van de
oefeningen, wisselde meermaals van trainingsplaats, kortom: ik paste de hele
opbouw aan zijn tempo en zijn eigenaardigheden aan. Twee zaken kwamen naar
voren:
a) alle
oefeningen waarin hem het initiatief gelaten werd ( de sprong, speuren, het
inbijten, ..)werden correct uitgevoerd, en
b) iedere
onderbreking – om wat voor reden ook - van een gecontroleerde reeks
opeenvolgende handelingen blokkeerde hem onmiddellijk en totaal. In die mate
zelfs dat wanneer hij op dat ogenblik verhinderd werd het terrein te verlaten
en aangemaand werd de oefening te herbeginnen, hij ter plaatse begon over te
geven. Veel duidelijker kon het niet. In die toestand had geen enkele wijze van
beloning enig effect: de buitenwereld drong eenvoudig niet meer tot hem door.
Bij navraag bleek dat deze reu tot ongeveer zijn eerste
verjaardag vrij opgegroeid was in de kennel, in groepsverband met enkele andere
boxers en met normaal sociaal contact met z’n eigenaars. Zijn gedrag met andere
honden en met mensen was uitstekend, maar wat hij niet had geleerd was om te
gaan met specifiek menselijke reacties in leersituaties (beloning en correctie
via stem, aanraking, enz.) en hij wist dus letterlijk niet wat de betekenis
daarvan was. Bij een opeenvolging van oefeningen werd de stress dus alsmaar
hoger, ook al werden de oefeningen correct uitgevoerd. Het was alsof hij door
de oefeningen heen naar het punt toeleefde waar er iets fout zou lopen,
bijvoorbeeld in de vorm van een bijbevel. Bijbevel dat op zijn beurt
onbegrijpelijk was. Oefeningen die heel dicht bij zijn natuurlijk gedrag
aansloten ( speuren, verdediging, springen, los volgen) kon hij moeiteloos
afwerken. Oefeningen die verder van zijn honds gedrag aflagen ( vooruit sturen,
aangelijnd volgen, blijven afliggen zonder contact,..) of complexer in opbouw
waren ( apporteren, revieren, aanblaffen en wachten,..) brachten hem steevast
in opperste verwarring en stress doordat hij nooit geleerd had hoe menselijke
beloningen daarmee in verband stonden. De manier waarop deze reu leerde
was dus direct bepalend voor wàt hij kon leren.
De oplossing – een compromis - bestond erin enerzijds een
strak schema op te bouwen en anderzijds het punt te vermijden waarop de stress
hem zou overmannen. Dat werd bereikt door zijn eigen initiatief zoveel mogelijk
intact te laten ( slordigheden in de afwerking werden op de koop toe genomen)
en tussen de oefeningen door de “hondse” speelmanieren langer aan te houden dan
eigenlijk kon. Het bleef tot en met de wedstrijd dansen op een slappe koord.
2.
Voorbeeld twee gaat over een bijzonder mooie teef, nog
geen twee jaar jong. Een beeld binnen en buiten de showring, maar zeer op haar
hoede tegenover mensen die ze niet kent. Aanvankelijk dus ook haar trainer.
Haar gedrag heeft niets met angst te maken, ze is louter op haar qui-vive. Ook
bij haar gaan de oefeningen die dichter bij de “hondse aard” aanleunen zonder
meer vlot. Daarenboven is ze ook leergierig en benieuwd. Bij de inleidende
gehoorzaamheidsoefeningen is het snel duidelijk dat ze intelligent is, ze leert
vlug – maar ook hier een verrassing: noch stem, noch lichamelijk contact worden
als beloning ervaren wel integendeel. Bij een lovend woord is er van haar
natuurlijke vlotheid niets meer te bemerken: oren in de nek, hoofd naar beneden
en verward opkijken naar de trainer. Een handbeweging naar haar toe wordt met
argusogen gevolgd en onder een streling spant haar lichaam zich in plaats van
te ontspannen.
Hoe werk je met een zeer vlotte, levendige
en intelligente boxer die iedere vorm van beloning als bedreigend ervaart?
Het “waarom” was hier een gemakkelijker vraag: van pup af
aan was dit teefje door de vrouw des huizes rot verwend en “beschermd” tegen
alles en iedereen die haar groei en toekomstige carrière kon in gevaar brengen.
Een beauty zou ze worden, daarin had de vrouw gelijk. Maar door haar (over)
beschermend gedrag bestond de leefwereld van haar toekomstige winster wel uit
man-vrouw-boxer versus de rest van de wereld. Met andere woorden deze teef had
geleerd iedere actie van de buitenwereld tegenover haar als bedreigend te zien:
zolang je zelf geen direct (fysiek) contact zocht liep alles vlot. Dit
(aangeleerde) probleem kon ik enkel oplossen door haar maximaal vrij te laten, zoveel mogelijk bij haar te zijn
zonder specifieke oefeningen te doen en af te wachten … tot haar eigen aard en
haar nieuwsgierigheid het zouden winnen op het aangeleerde wantrouwen en ze
zelf het initiatief tot contact zou zoeken. Dat gebeurde uiteindelijk ook: het
duurde drie weken. Vanaf dat punt kon ze er niet genoeg van krijgen om te pas
en te onpas in mijn armen te springen. Als ik al eens haar kennel passeerde
zonder haar te groeten of te strelen startte ze een langgerekt concert van
verontwaardiging en teleurstelling.
Tegen het eind van haar opleiding vond ze het niet meer
onaangenaam dat andere mensen in de kennel haar riepen, maar ze moest er nog
steeds niets van hebben als die haar probeerden aan te halen.
Ook hier weer heel duidelijk hoe de heel eigen aard en de
heel eigen geschiedenis van deze boxer (streling of mondeling loven door een
“vreemde” werd niet ervaren als beloning maar als bedreiging) bepaalden hoe ze iets leerde en wat ze
bijgevolg überhaupt kon leren.
In tegenstelling tot het
onderwerp “individuele persoonlijkheid van een hond” wordt er haast oeverloos
gesproken en geschreven over de Methode. De discussies
zijn meestal verhit. Nodeloos, denk ik want geen enkele methode kan vertellen
hoe u met die individuele hond moet omgaan of hoe u hem moet trainen. De één
zegt zo, de ander zegt nee-zo en op het eind van de rit zal je constateren dat
ofwel A, ofwel B, ofwel A én B ofwel noch A noch B gelijk heeft. Het is
de persoonlijkheid van die hond die je duidelijk zal maken, niet alleen wat hij
kan leren maar vooral hoe hij leert.
Maar daarvoor moet je natuurlijk in de
eerste plaats naar die hond kijken en luisteren, niet naar die of die Methode.
Om het (te) simpel te zeggen: je moet weten waar je hond zin in heeft en je
moet daarin meegaan in plaats van tégen hem in te werken. Zelfs – en misschien:
vooral – in ( bijna niet te vermijden) dwangsituaties moet je kunnen rekenen op
de “zin” van die hond. Al meer dan één hond ( vooral impulsieve honden) heb ik
in dwangsituaties door te mand zien vallen: depressief of agressief, al
naargelang de geaardheid van de hond. Precies omdat de eigenaar of de geleider
niet doorhad dat de dwang enkel nog dwang was en niet langer berustte op iets
in de hond, namelijk zijn vermogen en z’n zin om iets te leren. De aard en de
mate van dwang zullen ook hier moeten berusten op de persoonlijkheid van de
hond en op de (vertrouwens-)relatie met diegene die dwang uitoefent. Dwang met
als enige motivatie dat de hond hoedanook “ondergeschikt” is en dus moet
gehoorzamen – zonder rekening te houden met de persoonlijkheid van de boxer- kan
niet enkel de verdere opleiding op losse schroeven zetten en de hond over het
randje duwen, het is ronduit een fout uitgangspunt.
Een ander aspect van hetzelfde: vaak
heb ik gemerkt dat ook ervaren showgangers denken dat de beoordeling van
een hond in de showring uitsluitend te maken heeft met de morfologie, de
uiterlijke vorm. Dat is niet zo. Schoonheid is meer dan de benadering van
de standaard, is meer dan type alleen. Schoonheid leunt veel meer aan
bij de persoonlijkheid van de hond en die wordt zichtbaar in het gedrag
van de hond, in zijn totale houding en dus ook in zijn beweging. Om een
beetje vreemd beeld te gebruiken: het lichaam van de hond is de zichtbare
vertaling van zijn persoonlijkheid. Voor een aandachtige lezer vertellen
zijn (spier)bewegingen het verhaal van zijn verleden, het hoe en waarom van
zijn persoonlijkheid. Op dit punt komen ‘schoonheid’ en ‘werk’ opnieuw bij
elkaar: er hoeft geen kloof te liggen tussen beide.
Dit werd geïllustreerd
door een prachtige boxerteef die ik in opleiding had. Het
was geen toeval dat het een teefje was: het gedrag dat ik wil beschrijven zal
je zelden zien bij een reu, die gebruiken andere manoeuvres. Ze was in een
aanleerfase, een nieuwe oefening. Dit is altijd een moment van onzekerheid, van
twijfel – anders is er van leren geen sprake. Op dat kritieke moment nam ze
plots een houding aan waarin ogen, wenkbrauwen, oren, hals, rug, benen en
voeten, kortom haar hele lichaam een toonbeeld van adel werd, een showbeeld. Ik
streelde haar traag over hals en rug: ze kalmeerde. Na een tweede bevel voerde
ze de oefening ( dwz: de voor haar niet zekere beweging) correct uit. Wel, ik
verzeker u dat dit een regelrecht verleidingsmaneuver was. Ze trok alle
aandacht naar lichaam omdat ze ‘wist’ dat daar in het verleden andere honden
en/of mensen positief op hadden gereageerd. Denk bijvoorbeeld maar aan de
plotse stilte die er ontstaat rondom een showring als een hondje perfect staat
te showen. Haar adel ‘gebruikte’ ze hier als ontwijkgedrag: haar pose,
haar verleiding had tot doel de kritieke twijfel, de onzekerheid op te heffen
en de onduidelijke situatie te doen verdwijnen. De trage streling bracht haar
terug met haar voetjes op de grond, de stress van de onzekerheid ebde weg samen met het ontwijkgedrag dat
daar het gevolg van was. Pas op het ogenblik dat ze terug kalm was kon ze de
juiste uitvoering van het bevel tonen.
Het is uit dergelijke momenten dat ik
besluit dat schoonheid een aspect van
de persoonlijkheid van de hond is.

Hoe langer ik met honden
omga en hoe meer ervaring in het opleiden van honden ik opdoe, hoe meer moeite
ik heb met ‘gedragstesten’- om maar te zwijgen van zogenaamde ‘karaktertesten’. Bijna
altijd gaan ze uit van van het idee dat de aanwezigheid en de sterkte van
‘driften’ moet worden getest: speeldrift, buitdrift, weerdrift, enzovoort. Het
aantal en de rangeschikking kunnen zo’n beetje naar believen ingevuld worden.
Nu ben ik er van overtuigd dat wat deze (deel)driften beschrijven slechts een
klein deel is van de totale persoonlijkheid en ik heb er bijgevolg de grootste
moeite mee om te begrijpen waarom hele ‘systemen’ (opleiding zowel als
bijbehorende testen) gebaseerd zijn op die enkele aspecten, systemen die
daarenboven slechts zeer pover onderbouwd zijn. In de ontelbare ztp’s,
körungen, selecties, cqn’s…. die de revue zijn gepasseerd heb ik meerdere
boxers zien ‘falen’- boxers waarvan ik overtuigd ben dat het zeer goede
boxers zijn. Het feit dat in sommige landen je eerst succesvol door één of
meerdere van deze testen moet zien te komen onderstreept enkel de tragische
gevolgen van het vasthouden aan dit zwak en
verouderd driftmodel-denken
Als je probeert uit te zoeken hoe een hond in elkaar
steekt voordat je poogt hem iets bij te brengen en
je gunt hem tijd ( zonder in te grijpen) dan kom je achter het waarom van zijn
reacties en de aard van zijn heel eigen interesses en gevoeligheden. Van
daaruit kan je verder werken. Tegen die tijd heeft die boxer, in de meeste
gevallen, zijn zelfvertrouwen herwonnen én het vertrouwen in z’n trainer zodat
dikwijls – niet altijd - een minimum aan training volstaat om het gewenste
gedrag voor die of die ‘test’ aan te leren. Kon ik maar de uren terug krijgen
die ik ben kwijtgespeeld in discussies over de valstrikken en de zinloosheid
van deze testen! Het enige dat ik nu kan en wil doen is deze volstrekt
nutteloze discussies links te laten liggen. De enige test waarvan ik het nut
kan inzien is een geduldige en behoedzame beoordeling van sociaal gedrag. En
dan nog…zelfs dat is niet altijd een zekerheid. Denk bijvoorbeeld
aan impulsief of spontaan gedrag ( dan wel,
dan niet) terwijl de testen altijd gebeuren in een kleine tijdspanne en
slechts de opname van één moment zijn. Bij zo’n test moet trouwens vooral de
wisselwerking tussen hond en eigenaar in de gaten worden gehouden want die is
meestal belangrijker voor het gedrag van de hond dan dat wat de natuur hem
heeft toebedeeld.
Als kleine illustratie
hierbij een anekdote die mij zeer aangenaam was. Ik presenteerde een
boxer. De keurmeesteres kwam dichterbij en controleerde ogen en gebit van de
hond. Daarna deed ze iets dat zo dicht als maar kan een ‘wesenstest’ benadert:
ze knielde voor de hond. De boxer kwam dichterbij en er volgde een korte
ontmoeting tussen keurmeester en boxer waaraan nogal wat lichamelijk contact te
pas kwam plus de gebruikelijke vriendelijke woorden. Bij de boxer waren die
laatste niet enkel van het gezicht maar van het hele lijf af te lezen. En
alhoewel ze dat waarschijnlijk wel had gewild, kon ze dat niet met iedere boxer
doen. In haar beoordeling speelde dus ook de persoonlijkheid van de hond mee en
daar had ze geen batterij van testen voor nodig noch had die boxer enige
‘opleiding’ gekregen.
Het eenvoudige neerknielen voor de boxer is een gebaar
dat afhankelijk van de persoonlijkheid van de boxer ervaren wordt als
uitnodigend of bedreigend en het kan beantwoord worden met enthousiasme,
agressie of onzekerheid. Eén eenvoudig gebaar – verschillende persoonlijkheden
– verschillende reacties.

Ook gezondheid is een belangrijk deel van
de persoonlijkheid. De gezondheid van het ogenblik, de
fitheid, zal natuurlijk invloed hebben
op het actuele gedrag maar niet op de
persoonlijkheid. Ik heb het hier over “structurele” aandoeningen die
medebepalend zijn voor zowel gedrag als persoonlijkheid.
Een voorbeeld: een pup wordt geboren met een milde
vernauwing van de aorta, niets levensbedreigend. Deze aandoening leert de pup
alles trager te doen. Hij leert heel snel dat iedere impulsieve reactie gevolgd
wordt door een onaangenaam gevoel en dat zal hij vermijden. Hij wordt met
andere woorden gewoon een rustige hond. En daar heb je het dus al, een
beoordeling van én zijn gedrag én zijn geaardheid: rustig. Dit rustige gedrag
is een integraal deel van zijn persoonlijkheid geworden. Of je die persoonlijkheid
nu positief of negatief waardeert doet er niet toe – van belang is dat het een deel van hem is en dat het
nauwelijks nog zal veranderen: je zal deze hond op déze basisstructuur moeten
tegemoetkomen. Ik heb een aortavernauwing genoemd, maar bijvoorbeeld een
verhoogde allergiegevoeligheid kan evenzeer de persoonlijkheid kneden. De
streling bij een rustige hond na een oefening werkt zowel in op zijn
persoonlijkheid als op zijn gedrag ( “je kan het nu wat kalmer aan doen, het
gaat prima”) terwijl de streling bij een boxer die door jeuk geplaagd wordt
vanwege een huidallergie in de eerste plaats fysiek is en verlichting brengt,
wellicht ook de verbondenheid bevestigt.
Om greep te krijgen op de
persoonlijkheid van een hond gebruik ik zoveel mogelijk benamingen en ik weet
echt wel dat dit het omgekeerde is van wat men gebruikelijk doet en wat
“wetenschappelijk” genoemd wordt. Ik doe dit met opzet: ik wil de gebruikelijke
termen zoveel mogelijk vermijden omdat ze alle, direct of indirect,
teruggrijpen op de onderliggende “driftmodellen”. In mijn dagelijkse werk met
boxers kan ik deze modellen noch deze termen nog vertrouwen. Daarom gebruik ik
simpele woorden die niet besmet zijn door deze modellen: vriendelijk,
enthousiast, speels, rustig, verlegen, intelligent, ernstig, eenvoudig,
goedaardig, allure, schoonheid, adel, gehoorzaam, hard, nieuwsgierig, preuts,
optimistisch, …plus alle negatieven en combinaties hiervan. Het spreekt vanzelf
dat sommige aspecten dicht bij elkaar liggen. Zo zou alles in groepjes kunnen gebracht
worden en als je een hond voldoende lang bekijkt dan zou je een gradatie binnen
ieder groepje kunnen maken en ook tussen die groepjes. In theorie is het dan
mogelijk de voor u aangenaamste hond te kiezen. In praktijk betwijfel ik of je
er veel zou aan hebben.
U zal gemerkt hebben dat
deze beoordeling en deze manier van kijken naar een hond verschilt van de
bestaande training- en testmethodes. Het is mijn overtuiging dat de bestaande
tests en de manier waarop ze worden afgenomen, enkel een klein deel van de
totale persoonlijkheid bestrijken en dan nog precies dat deel dat kunstmatig is. Kunstmatig, omdat het
gemodelleerd is op de uitgangspunten en de verwachtingen van de tests. Wat die
testen in werkelijkheid meten is de vaardigheid van de eigenaar/trainer om een
gewenst gedrag van de hond in kwestie te koppelen aan een standaardsituatie.
Hierbij nog een anekdote. In de
kennel komen nogal wat mensen die een puppy met een goed karakter willen ( ja,
wie niet?) en dus komen de toekomstige eigenaars dit op de leeftijd van zeven acht weken testen.
Enfin, zo noemen ze dat toch: “op karakter testen”. Ik zal u niet lastigvallen
met een lijstje van boekenwijsheden die op dergelijke momenten herkauwd worden.
Af en toe is er een aangename verrassing. Zoals die vrouw die ook wou weten
of de pup aanleg had om een goede
“werkhond” te worden. Maar ze deed daarbij iets ongebruikelijks. Ze legde een
bewegend plastic zakje in een ruimte waar de pup al meerdere keren geweest was,
een ruimte die hij goed kende dus. Een klein halfuur heeft ze de pup
gadegeslagen waarbij dat ze hem af en toe aansprak. Ondertussen zaten we gewoon
te babbelen. Niets meer. Dat was het. Deze vrouw wist – intuïtief of uit
ervaring – hoe ze een hond correct kon schatten: ze beoordeelde de pup op
basis van zijn eigen spontane, onuitgelokte gedragingen – niet op
basis van gedrag dat uitgelokt werd via een serie gestandaardiseerde situaties.
Mensen hebben het soms
behoorlijk lastig met hun boxer.
“Gewone” eigenaars net zo goed als ervaren opleidingsrotten. Meestal
komt dat omdat ze onvoldoende zicht hebben op de eigenschappen van hun hond:
goede en slechte ( wat dat dan ook moge zijn) . 
Met goede wil, met tijd en met oplettendheid kan daaraan
verholpen worden. Het is zelfs eenvoudig. Eén: methode is niet belangrijk, je boxer daarentegen is dat wel.
Twee: kijk naar je boxer – met je ogen, niet met je verstand dat vol steekt met
voor-oordelen en je het “kijken” belet. Vroeg of laat zal je zijn eigenaardigheden
net zo goed als zijn heel specifieke motivaties gaan “zien”. Respecteer deze
persoonlijkheid door ze te aanvaarden zoals ze is en begin van daaruit – pas
van daaruit - te “werken”.
Vandaar ook mijn lijfspreuk in de omgang met en opleiding
van boxers:
“Show your respect, feel the
personality, touch the hart and then but only then the respect will return!”
INGMAR SIOEN.
![]()