DE BONA FIDE FOKKER: tussen Skylla en Charybdis.
Johan Sioen , mei 2000
Er hangt onweer in de lucht. Zwaar onweer. Fokkers zijn zenuwachtig. De
klamme kynologische atmosfeer maakt hen prikkelbaar. Ze verdragen nog minder
van elkaar dan gewoonlijk. En ze hebben gelijk. Ze voelen aan dat de strijd
ongelijk zal zijn en dat er slachtoffers zullen vallen. En er zijn er nu al te
veel gevallen. Onder hen, onder hun honden.
Hoe lang blijven ze nog lijdzaam toezien?
Ogenschijnlijk heeft de mediahype rond de pitbulls, waar vooral de
commerciële zenders voor verantwoordelijk zijn, de bal aan het rollen gebracht.
Sedert zij op het scherm zijn verschenen is er geen rashond meer veilig. Eén van de vele paradoxen in dit verhaal:
herrie rond een niet-rashond brengt
rashonden in diskrediet. Meteen is iedere eigenaar en iedere fokker in het
defensief gedrongen. Hoe bewijs je dat jou ras niet gevaarlijk is - op
voorwaarde dat het ook maar enigszins fatsoenlijk wordt opgevoed? Agressiviteit
en andere gedragsfenomenen zijn plotseling onderwerp van gesprek bij allerlei
soorten “experten": ze schieten als paddestoelen uit de grond. Sommige
rasclubs laten zich vangen en zetten in allerijl een batterij gedragstesten op
poten en leiden “beoordeelaars “ op. De strategie is fundamenteel fout, want
defensief. Heel binnenkort zullen allerlei disciplines van de hondensoort onder
vuur van politici komen te liggen. Vanuit Zwitserland is al een poging
ondernomen om bijvoorbeeld de ‘stokslagen’ - of wat daarvoor moet doorgaan- uit
het IPO programma te halen. Straks komt het hele pakwerk op de helling. De
publieke opinie - dat monster van onwetendheid - wordt nog gevoed door het
gedrag van geleiders die op de oefenterreinen nog steeds de ruk, schop &
prik methode als "opvoeding" praktiseren Middeleeuws: waarop wachten onze
kynologisch verantwoordelijken om deze
mensen uit de clubs te weren? Er bestaat geen enkel valabel argument om hen nog
te dulden: niet moreel en niet strategisch. Of ik heb het in elk geval nog niet
gehoord.
De "gedragstesten" die in het vooruitschiet liggen zijn maar
één obstakel te meer voor de rashondenwereld. Een obstakel, omdat iedere bona
fide fokker wéét of een bepaald temperament al dan niet geschikt is voor de
fok. Daarvoor heeft hij geen kunstmatige test nodig. En de malafide fokker,
hobbyist en handelaar zal je er niet mee stoppen.
Met die laatsten zijn we
trouwens bij een tweede bron van ergernis aangekomen. De pas
ingevoerde wetgeving op de fokkerij, die overigens terecht de fokkerijen aan
elementaire regels wil binden, heeft een totaal averechts effect. Onze groene
vrienden schijnen daar trouwens een patent op te hebben. Middelgrote fokkers
met veel ervaring zien zich gedwongen
te kiezen voor een statuut waarin een Vlaremvergunning en een btw-registratie
verplicht zijn of ophouden met fokken. De meesten kozen voor het compromis om
nog maar twee nesten per jaar te fokken - als particulier dan- en om meerdere
kennelnamen op diverse namen en adressen aan te vragen. Een lucratieve zaak
voor sommigen - maar ze schieten de fokkers die er voor kozen zich met alles in
regel te stellen ( en daar nog maar eens voor te betalen- want zwaar te
investeren) in de rug. Niet netjes en trouwens niet houdbaar, want misschien
grijpen gemeente en provincie niet in, maar de Btw-controleurs zijn niet op hun
hoofd gevallen. Onder de relatief kleine kern van ervaren goeie fokkers is er
een nutteloze maar onvermijdelijke oorlog aan de gang.
Dat komt de handelaars bijzonder goed uit. Want zij waren
wèl in orde met de formalistische voorschriften, die nergens over de inhoud van
de fok handelden maar enkel over de omkadering. Er verschijnen sedert de nieuwe
wet warenhuizen en ketens van
dierenwinkels, waar eender welk ras tegen barnumprijzen te koop is, want
geïmporteerd uit Oostbloklanden of opgekocht bij particulieren die geen raad
meer weten met hun zeven weken oude pups, of nog: bij uitgebluste boeren die
meer heil zien in honden dan in koeien. De distributie is up to date: in
Mechelen wordt een sharpeiteefje gevraagd. Is niet meer in voorraad, maar
blijkt uit de databank dat er nog een exemplaar van negen weken voorradig is in
winkel Z in Kuurne. Kan morgen worden overgebracht èn er moet gecheckt worden
of op de bestelbon, die naar Tsjechië is verstuurd, zes King Charlesspaniels
vermeld staan. Die heeft dierenspeciaalzaak ‘Troetel’ in Vilvoorde volgende
week zeker nodig, ter gelegenheid van de lokale braderie. Of iets van
dergelijke strekking. Volkomen legaal en met winstmarges torenhoog. En indien
er een stamboom gevraagd wordt, moet dat wel vermeld worden want dat moet nog
even doorgegeven worden aan de drukkerij. Geen controleur - noch van
belastingen noch van landbouw- zal er een vinger naar uit steken. En onze
groene vrienden zijn in de verste verte niet te bespeuren. Zij hebben dit wel op hun geweten: de explosie in de hondeverkoop via
grote ketens is het rechtstreeks gevolg van hun eisen en lobbywerk. En geen
enkele kynologische instantie kan er tegen op want dit zijn professionelen goed
georganiseerd en kapitaalkrachtig.
Laat het duidelijk zijn: van de totale hondenpopulatie leveren zij
circa 80% ( het kan meer zijn), het gaat om quasi-rashonden ( al dan niet met
papieren) of bastaarden tout court én
er is geen enkele kynologische controle op mogelijk. Dit feit alleen al maakt
de bona fide rashondenfokker van eender welk ras, vrijwel machteloos.
Boven op deze totaal contraproductieve regelgeving komt de dictatuur
van de Europese bureaucratie die op nationaal, regionaal en zelfs gemeentelijk
niveau naar goeddunken wordt geïnterpreteerd en overgenomen. Het komt er maar
op aan of het politiek opportuun is of niet. Het staat de Franse staat
bijvoorbeeld vrij een lijst goed te keuren waarop een aantal (pseudo)rassen
staan die ingedeeld worden op basis van graden van gevaarlijkheid. Het staat de
burgemeester van Erpskwerts ( ik noem maar wat) vrij in zijn politiereglement
of te nemen dat Golden retrievers en Beaucerons gevaarlijke honden zijn die
niet op het grondgebied mogen worden gehouden of gefokt. Misschien mag je ze
wel nog houden, maar dan moet je ze laten registreren chippen, castreren en
altijd aan de lijn houden als ze dan toch eens moeten plassen - én, nooit zonder muilband op straat uiteraard.
Het valt te vrezen dat de nationale overheid in haar eigen wetgeving laat neerschrijven
dat het couperen van oren en staart bij sommige ( want weer niet alle)
rashonden verboden is op straffe van geldboete, gevangenisstraf en inbeslagname
van de betrokken hond. Over de
absurditeit van dit coupeerverbod is
onder de geïnteresseerden een grote mate van consensus. Sommige rassen
werden niet zomaar voor de lol gecoupeerd: het had een betekenis en wel in de
eerste plaats de bescherming van dat bepaald soort hond.
Nu al staat in Europese wetteksten op het dierenwelzijn dat het
verboden is te fokken met dieren, waarvan men kan vermoeden dat de geërfde kenmerken de levenskwaliteit van het
betrokken nageslacht zullen beïnvloeden Mooi, denken we dan. Maar we zijn fout.
Want als morgen één of andere Europese subcommissie beslist dat de Boxer een
"Qualzucht"-produkt is - ze gebruiken dat lelijke woord graag in die
kringen - omdat ( en ik noem weer maar wat) de verhouding schedel-snuit
voorbestemt tot het vertonen van ademhalingsproblemen, dan kan het overmorgen
gedaan zijn met de Boxer als ras. Goed, het is misschien wat overdreven maar we
moeten ons vooral geen illusies maken. De teksten waarin bijvoorbeeld een verbod op lijnteelt finaal ingeschreven
wordt, liggen op de tafel. Er bestaat geen aspect van ons hebben en houden,
waar deze heren zich in hun onstuitbare drang tot regelgeving ( de klassieke
freudiaanse etiologie van dit ziektebeeld is bijzonder onfraai) zich niet
zullen aan vergrijpen. Dit Politieke
Europa is voor de rashond en zijn bona fide fokker een kerkhof.
De vrijheid waarover wij in België beschikken, als boxerfokkers, is
bijzonder groot. Afgezien van de minimale bepalingen, opgelegd door de KMSH,
zijn we aan geen enkele regel onderworpen. Als we dat willen kunnen we meedoen
aan tentoonstellingen, werkwedsrijden, selectie en elke andere fokproef of
'gezondheidstest' - maar we moeten niet. Wij bepalen zelf met welke teef we
gaan fokken en met welke reu. Ondanks
alle mogelijke en feitelijke fouten die we daarbij maken, is deze vrijheid van keuze van essentieel belang. We
realiseren ons nog steeds te weinig dat we stilaan op een eiland komen te
zitten en dat we voor het behoud van deze vrijheid zullen moeten vechten. Daar
is macht mee gemoeid en daar zijn rationele argumenten mee gemoeid. Het eerste
negeren zou naïef zijn, doen alsof we het tweede niet nodig hebben zou crimineel
zijn.
De publieke opinie en politiek zijn namelijk één ding, de macht en rationaliteit van de wetenschappelijke faculteiten zijn iets heel
anders en veel zwaarwegender. De macht die vooral dierenartsen hebben, via
hun prominente aanwezigheid in allerlei kynologische raadgevende organen,
begint onfatsoenlijke vormen aan te nemen. Daarenboven gaat het soms om heel
specifieke groepen van dierenartsen en om monopolieposities binnen de nationale
grenzen. Zeer anti-Europees overigens. Een cardiologisch onderzoek van een
boxer, in België afgenomen
bijvoorbeeld, wordt niet in Duitsland erkend. Idem dito voor
heupdysplasie-onderzoeken. Torel (1997) spreekt dan ook over kartelvorming tussen groepen van
dierenartsen, onderdelen van kynologische organisaties en de industrie (
bijvoorbeeld voederfabrikanten.) Als je eenmaal vanuit de rasclub of van
hogerop, bepaalde eisen voor je fokdieren verplichtend
krijgt opgelegd - zit je meteen in een web van monopolieposities waarop je als
fokker geen enkele invloed meer hebt. Al die mensen verdienen goed geld op het
hoofd van de rashond en er bestaat geen mogelijkheid ze te ontwijken. En wat
men goed moet beseffen: dierenartsen hebben op het niveau hond natuurlijk een
belangrijke en soms cruciale rol te
spelen ( dààr hebben we hen nodig), maar
op het niveau van het ras hebben zij geen enkele bewijsbare bijkomende
competentie. Geen enkele. Tenzij ze zelf fokker zijn. En dan vraag ik me altijd
af: hebben ze dan zo weinig werk?
Zoals iedere bureaucratie,
hebben ook die commissies de haast natuurlijke neiging zichzelf te
vermenigvuldigen. Je moet dus werk creëren en dat betekent: problemen scheppen
- want die problemen zullen dan de bestaansreden zijn van je subcommissie en de
analyse ( hoe pover ook) van de problematiek zal er de rechtvaardiging van
zijn. Ondertussen zijn er zo'n vierhonderd 'ziektebeelden' bij de hond gekend,
waarvan verondersteld wordt dat er mogelijk een genetische component aanwezig
is. Er zit dus toekomst in die branche.
Als ik beweer dat heupdysplasie
niet de eerste prioriteit is binnen een ras ( zelfs niet bij de Duitse herder
populatie, waar de hele 'discussie' ontstaan is- zelfs een autoriteit als
Willis is het daar mee eens), dan zal dat nog net getolereerd worden. Misschien
met een meewarig lachje van de "experten" ( die in 35 jaar van
onderzoek en selectie op röntgenfoto's geen stap verder zijn gekomen - en nu
schoorvoetend toegeven dat de vermoedelijke erfelijkheidsgraad om en bij de 20%
ligt, niet hoger).
Als ik echter beweer dat het
dogma van de polgygene vererving - in tegenstelling tot de kwaal zèlf- (en ik
ga nu even mee met Torel- maar ook met mijn gezond verstand) in die 35 jaar
meer slachtoffers heeft gemaakt ( goeie dieren uit de fok verwijderd) en meer
kwaad dan goed heeft gedaan ( want de fokbasis op grond van één twijfelachtig
kenmerk verkleint), dan riskeer ik allen die op één of andere wijze belang
hebben bij het instandhouden van deze commissies op mijn dak te krijgen, of
erger.
Als ik verder volhardt door te
stellen dat de fokwaardeschatting weliswaar een veel preciezer instrument is,
dat zijn nut op andere domeinen al ruimschoots heeft bewezen - maar dat het wel
opnieuw de macht van het röntgenkartel
en de gecentraliseerde macht van de daarbijhorende commissies versterkt
- dan krijg ik, met garantie, een nieuwe generatie commissieleden over mij
heen. Overigens zit er een circulaire redenering ( en dus een fout) in de
methode van fokwaardeschatting bij kenmerken met een polygene vererving en lage
erfelijkheidsgraad - maar dat is een ( interessante) discussie ten gronde - en
die wil ik zeer graag voeren, maar niet binnen het raam van dit artikel dat een
alarmbel wil luiden.
Het punt is niet dat die kwalen
niet zouden bestaan of niet zouden
moeten worden bestreden, zelfs niet dat er een genetische basis voor is -
alhoewel bij vele van die kwalen zelfs door genetici in zeer voorwaardelijke
wijze wordt gesproken - maar wèl dat bepaalde kleine groepen van mensen, die
geen speciale kennis van het ras als zodanig hebben, zichzelf het recht toekennen
de fok van dat ras in één of andere wijze te beïnvloeden op grond van één
criterium - waarvan zij claimen dat
alléén zij dat kunnen appreciëren -en dus op kosten van het ras ( en zijn
fokkers) zichzelf een aureool van "autoriteit" verschaffen. Door deze
ééndimensionale selectie, die zeer
betwistbaar is, beperken zij het aantal dieren dat in de fok kan komen (
ongeacht de mogelijke kwaliteiten) en beperken zij dus de keuze van de bona
fide fokker. Niet deze van
kweker-handelaars of hobbyisten, want daar hebben ze doodgewoon geen
enkele invloed op.
We zullen ons echter pas echt schrap moeten zetten als we de frontale
aanval van een aantal populatiegenetici, waarvan Wachtel (1997) als woordvoerder kan worden aangeduid, zullen moeten
beantwoorden. De meesten van hen spreken in naam van de rashond en stellen
uitdrukkelijk dat ze die willen behouden. Maar dan zullen we wel drastisch ons
fokmethodes moeten veranderen, én onze manier van evalueren.
Een ruwe schets ( en ik geef
direct toe dat ik hen hiermee ernstig onrecht aandoe) toont het volgende.
Sedert ongeveer 130 jaar selecteren rashondenfokkers meer en meer op uiterlijke
kenmerken, en daarop alleen. Dat exterieur wordt bepaald door naar schatting
maximaal 0,5% van het totale genoom. Door deze selectie is het type binnen een
ras steeds homogener geworden en is de genetische variabiliteit generatie na
generatie gedaald, ook al steeg op sommige ogenblikken het aantal individuen
binnen een populatie sterk. Door het fixeren van een groot aantal genen en door
het verlies van alternatieve genen, is er een steeds grotere genetische
verarming ontstaan. Verarming die verder in de hand wordt gewerkt door het
bijzonder klein aantal individuen dat uiteindelijk in de fok terechtkomt.
Daarboven op komt dat binnen iedere populatie de neiging bestaat de uiterste
grens van het type na te streven en dat, bovenal, steeds weer teruggegrepen
werd op al dan niet nauwe lijnteelt op een klein aantal "goeie
verervers" en je ziet zo dat je het ras op een snelweg naar een inteeltdepressie zet. Het verdwijnen van de
heterozygotie binnen een ras, het verlies van alternatieve allelen, het fixeren
van subletale genen - kortom het resultaat van de voorbije 130 jaar fok,
-hebben ertoe geleid dat binnen veel rassen vitale functies niet goed meer
werken, dat er steeds meer erfelijke anomalieën voorkomen en dat het algemene
welzijn van de individuen gedaald is. Centraal
probleem is dus: de veel te hoge graad van homozygotie binnen een populatie,
met alle gevolgen van dien.
Volgens hen zijn er drie mogelijkheden.
Eerste
mogelijkheid: we gaan zo nog enkele generaties door en het ene ras na
het andere zal bezwijken onder zijn genetische starheid ( met andere woorden onder
z'n erfelijke kwalen - die een rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg zijn van
onze fokmethoden). In dat geval zullen de politieke banbliksems niets meer
uithalen, maar staan we meteen ook oog in oog met de zwarte keerzijde van onze
vrijheid. Tweede mogelijkheid: waar het nog kan moet je een rigoureuze
en consequente outcrosspolitiek voeren binnen een populatie, het aantal
nakomelingen per individu ( reu en teef) drastisch beperken en het aantal
individuen dat in de fok genomen wordt verhogen. Een zeer geleidelijke weg,
waarvan gevreesd wordt dat hij in de meeste rashondenpopulaties nauwelijks nog
resultaat zal opleveren omdat de genetische variabiliteit te sterk is gedaald. Derde
mogelijkheid: een strikt gecontroleerde inkruising van één of twee
aanleunende rassen binnen de moederpopulatie teneinde de heterozygotie te
herstellen. In dat licht krijgt het Boxer-Corgi experiment van Bruce Cattanach,
dat aanvankelijk enkel bedoeld was om een boxer met natuurlijk korte staart te
bekomen, een heel andere draagwijdte en betekenis: het stemt zelfs Wachtel
hoopvol.
Populatiegenetici leveren doorgaans geen bijzonder opwindende
literatuur. Dat is bij Wachtel niet anders, temeer daar de provocerende toon
bij momenten ronduit arrogant is. Bij gedeeltelijk nalezen van de
detailliteratuur waarnaar hij en zijn collega's refereren gaat er echter geen
licht op. De lichtjes gaan eerder langzaam uit. Eenmaal op dit punt aanbeland
is alle onschuld voorgoed verloren en is
onwetendheid niet langer een verzachtende omstandigheid, veeleer het tegendeel.
De afgelopen twintig jaar hebben in het teken van de biotechnologie en
de moleculaire biologie gestaan en dat zal nog wel een tijdje zo blijven. Populatiegenetici
zijn wat in de schaduw gebleven. Maar hun discipline is gebaseerd op een aantal
solide hypothesen, hun methodologie is gebaseerd op waarschijnlijkheden en hun
conclusies zijn bijwijlen van een ijzingwekkende eenvoud. Als ze gelijk hebben ( -
als -), dan zal onze kynologie binnen afzienbare tijd vrijwel alle begane paden dienen te verlaten en zal ze weer
moeten worden wat ze in het haar kinderjaren was: bijzonder creatief, vooruitziend, zonder heilige huisjes, met
open stamboeken en open geest plus veel enthousiasme voor het fenomeen rashond.
Al die dingen is ze nu grotendeels kwijt.
Geen wonder dat de
kynologische wereld zenuwachtig is geworden, want in haar binnenste
herkent ze situatie die hierboven in rauwe trekken geschetst werd, het maakt
deel uit van haar dagdagelijkse wereld. De snelheid waarmee we 'bloedlijnen'
verliezen - vooral sinds de zeventiger
jaren - is ontstellend. De taaie, vitale knotwilg waarin we onze vaderlijnen
tekenden is vervangen door een ranke populier die enkel nog in de hoogte
groeit. Lijnteelt is inderdaad ons leidmotief - en zelfs als we dat niet zouden
willen, is het in de praktijk nog nauwelijks te vermijden. We staren ons blind
op steeds weer dezelfde tentoonstellingshonden ( die allemaal wel ergens- en niet
eens zo ver weg - verwant zijn aan elkaar) en vergeten wat we vooraf al hebben
betaald aan 'verliezen' en anomalieën Bij onze boxer noem ik enkel maar
subaortastenose en huidproblemen. Iedere ervaren fokker kan er voor de vuist
weg tien andere 'problemen' bij noemen. Hoe groot is de prijs die we voor onze
vrijheid willen betalen? Dit is geen retorische vraag en ze is ook niet
academisch.
Want dit dreigt uit te lopen
op een levensgroot dilemma: aan de ene zijde ben ik er van overtuigd dat enkel
en alleen een vrije fokkeuze de bona fide fokker de mogelijkheid én de
verantwoordelijkheid laat die honden
te fokken die hij correct acht ( m.a.w. het aloude principe: paar het beste met
het beste en hoop voor het beste) maar aan de andere zijde staat een man als
Wachtel die mij zwart op wit aantoont dat ik handel tegen het algemeen belang
van mijn ras in, dat kampioenen en 'goeie verervers' meer kwaad dan goed kunnen
doen voor de totaliteit van een ras, dat ik moet ophouden met lijnteelt en dat
ik in de eerste plaats dringend moet gaan selecteren op vitaliteit,
aanpassingsvermogen, leervermogen, temperament en type tegelijkertijd. Ik moet
dus, in het belang van het ras, ook minder 'goede' exemplaren in de fok gaan
gebruiken. Dat is niet enkel een dilemma,
het blijkt ook nog een paradox te
zijn.
Dat lijkt maar zo: er is een uitweg. En die is er altijd al geweest.
Daar kom ik direct op terug.
Eerst moeten er nog enkele opmerkingen gemaakt worden.
Eerste opmerking: het is niet zo dat alle genetici het met
elkaar eens zijn. Willis (1984) bijvoorbeeld onderkent weliswaar de gevolgen
van doorgedreven lijnteelt en de gevaren van "kampioenenselectie",
maar hij ziet nauwelijks heil in een consequente outcrosspolitiek. Zijn
basiskritiek: als er op een gegeven moment iets fout gaat in een
outcrossprogramma, dan weet de fokker helemaal niet meer welke kant hij op moet
en welke kant zeker niet. Bij een lijnteeltprogramma weet de fokker dat wel (
of hij kan het althans te weten komen als hij zijn vak maar goed genoeg
beheerst).Dan is er nog tijd genoeg voor een corrigerende outcross. Wachtel zou
stellen dat Willis de zaken op zijn kop zet: de problemen waarover Willis het
heeft, ontstaan nu juist als direct
gevolg van zijn lijnteelprogramma. Maar Willis heeft nog een ander argument: afgezien van een algemeen
heterosis-effect dat kan verkregen worden door een outcross, vergeet men
gemakkelijkheidshalve dat een outcrosspolitiek niet noodzakelijk een grotere
heterozygotie teweegbrengt. Bijvoorbeeld als een gen gefixeerd is in een
populatie of als bepaald alternatieve allelen niet langer in de populatie
aanwezig zijn. Je zou er bijvoorbeeld kunnen aan denken een outcrossprogramma
met uitsluitend gele boxers op te zetten- wat absurd is, maar het gaat enkel om
de eenvoud van het voorbeeld. En alhoewel je dan ( in theorie) generaties lang
outcrosscombinaties kan plannen, zul je op die plaats van het betreffende
chromosoom nooit de factor gestroomd terugkrijgen. Het antwoord van Wachtel is
ook hier niet moeilijk te raden: het is gezond fokbeleid ervoor te zorgen dat
het niet komt tot of een fixatie van een bepaald kenmerk of definitief verlies
van een bepaald allel ( wat hetzelfde is - in eenvoudige gevallen), want vroeg
of laat betaal je daarvoor de prijs. Waarop weer kan worden geantwoord, dat
geen enkel ras ( geselecteerd puur op nut, of gecombineerd met exterieur) ooit
tot stand is gekomen zonder een doorgedreven fixatie van essentiële kenmerken
en dat dit proces zelfs, zij het partieel, de essentie van een ras uitmaakt.
Tweede opmerking. Het aantal
afwijkingen neemt niet enkel toe bij rashonden, maar bij alle huisdieren en
zelfs bij de mens ( waar lijnteelt nogal ongebruikelijk is). De groei van de
medische kennis en een betere diagnostiek ( jammer dat de vooruitgang vaak daar
blijft haperen, maar dat vertellen de experten dan weer liever niet) leveren op
zichzelf al meer gekende afwijkingen.
Die kunnen er vroeger evengoed geweest zijn. Ze werden enkel niet als dusdanig
erkend.
Anderzijds
zijn de milieuomstandigheden drastisch veranderd. Gedeeltelijk ten goede: een
veralgemeende hygiene en de inbreng van vaccins en antibiotica hebben de meeste
infectieziekten terug gedrongen- wat ook bij mensen zo is ( zie Illich). Wat
meteen ook één reden is waarom andere ziekten de kop überhaupt kunnen opsteken. En over antibiotica is
tegenwoordig ook een ernstige discussie aan de gang. Gedeeltelijk in ons
nadeel: een snelle gestresseerde manier van leven, een voedingspatroon dat
dramatisch gewijzigd is, een veralgemeende vervuiling van lucht, water en
bodem, enz… Hierin steken ongetwijfeld een aantal faktoren die een oorzakelijke
band hebben met de ziektebeelden die we nu rondom ons zien, en die vroeger
minder bekend waren. In zijn compendium geeft Torel (1997) een nuchter relaas
over de samenstelling van commerciële voeders en legt een directe link met het
optreden van een groot aantal skeletafwijkingen. Bij mensen wordt voortdurend
het verband gelegd tussen voeding en gezondheid: het is zelfs een florerende
commerciele markt. Waarom zou die band niet opgaan voor dieren? Hart en vaat ziekten zijn, samen met tumoren
de hoogst scorende doodsoorzaken bij mensen. Huidtumoren in het bijzonder
scoren steeds hoger. Is het toeval dat dit bij huisdieren ( en dus ook bij
rashonden) ook zo is? Waarom ga je dan de oorzaken bij de ene soort ( mens)
zoeken in milieufactoren en algemene levensstijl en bij een andere soort
(rashonden bijvoorbeeld) in genetische factoren en fokmethodes? Vooral de fanatieke manier waarop dit
laatste gebeurd, doet vragen rijzen. Als in risicogebieden met bijvoorbeeld
verhoogde radioactiviteit of ernstige reductie van de ozonlaag in de atmosfeer,
het aantal genetische afwijkingen toeneemt bij de mens, waarom zou het dan ook
niet toenemen bij (huis)dieren? Daar komt geen fokmethode aan te pas. Er zijn
zoveel nieuwe factoren in onze samenleving, waarvan ze slechts met mondjesmaat
te weten komen wat hun oorzakelijke band is met bekende of nieuwe
ziektebeelden. Overigens komen we hier onrechtstreeks terug bij ons eerste
punt, de agressie bij honden: die agressie bestaat in het merendeel der
gevallen slechts dankzij het gefrustreerde gedrag van de 'baas', en dat kan op
zijn beurt weer worden ingebed in een maatschappelijk patroon. En zo verschuift
de discussie zich van het genetisch vlak naar de maatschappelijke factoren in
brede zin. Als fokker zijn we echt niet blind voor genetische defecten en in de
mate van het mogelijke doen we daar ook iets aan - maar het is vooral de abnormale koppigheid waarmee sommige
wetenschappers zich aan een genetisch dogma vastklampen en daarmee de zwarte
piet doorschuiven naar de bona fide
fokkers, die ons in het verkeerde
keelgat schiet. Het is een oude discussie, die tussen genetica en
sociologie - en meestal wordt die 'opgelost' door de introductie van een
systeemmodel waarin verschillende parameters op elkaar kunnen worden ingesteld
en dat bijgevolg een grotere verklarende of heuristische kracht heeft. Maar
telkens als in de geschiedenis de discussie dogmatisch naar de zijde van de
genetica doorsloeg zijn daar vodden van gekomen. Wie wil nadenken, weet het.
De derde opmerking sluit daar bij
aan: wetenschap kan en mag niet normatief
zijn. Concreet wil dat, in ons geval, zeggen dat wel over 'afwijking' kan
worden gesproken - maar dat de term 'normaliteit' nooit kan worden
gedefinieerd. Wat een 'normaal' hart is, wat een 'normaal' heupgewricht is kan
enkel indicatief worden weergegeven en is steeds afhankelijk van een aantal
parameters die nooit absoluut zeker zijn. Als mijn boxer zonder probleem 20 km
met mij naast de fiets loopt en, thuisgekomen, na een kwartier terug klaar
staat om te spelen - heb ik dan een normaal functionerende hond? Blijkbaar niet
altijd, want als blijkt dat de röntgenfoto die van zijn heupen is genomen door
experten als "dysplastisch" wordt beoordeeld- dan heb ik, volgens
hèn, een behoorlijk 'zieke' hond. Hetzelfde als mijn hond een dopplertest
ondergaat en de dokter een bloedsnelheid van pakweg 3 meter per seconde in de
aorta opmeet. Omgekeerd blijkt echter wel te gaan: als de bloedsnelheid onder
de 2 meter blijft en het heupgewricht als niet-dysplastisch wordt beoordeeld,
heb ik wel een 'normale' hond ( volgens de respectievelijke experten), die voor
de fok is geschikt- ook al houdt hij het geen vier straten uit en is hij na 10
minuten duidelijk vermoeid - wat geen theorie is. Wat meer in detail: de
heupkom van een duitse herder en die van een boxer zijn behoorlijk verschillend,
om maar niet te spreken over die van een teckel. Bestaat er dan een 'normale'
heupkom? Of moet ik op zijn minst rasgebonden eigenschappen, zoals de vorm van
het bekken of de achterhandshoeking in rekening brengen? Over deze relatief
eenvoudige afwijking ( eigenlijk is het een groep van afwijkingen die onder één
noemer worden gebracht, maar dat zou ons te ver leiden) is een serieuze
bibliotheek vol geschreven door al dan niet eminente geleerden, maar de
evidente vragen zijn nauwelijks gesteld - laat staan dat er heldere antwoorden
op zijn.
Onze conclusie moet dan ook
provisoir blijven. Populatiegeneteci hebben wel degelijk een poot om
op te staan. De basistelling dat verlies van genetische variabiliteit binnen
een populatie ( lees: ras), die populatie uiteindelijk te gronde zal richten,
is meer dan steekhoudend: ze is alarmerend. Maar er moet worden genuanceerd.
Eén : collega's betwijfelen of het wel zo'n vaart loopt. Twee : niet alle
aangeboren ( wat niet hetzelfde is als 'erfelijk') anomalieën zijn terug te
voeren op "verkeerde" fokmethodes en er wordt veel te weinig aandacht
besteed aan milieufactoren Drie: er bestaat een inherente onmogelijkheid om het
begrip 'normaliteit' te definieren.
Het wordt tijd om positie te
kiezen: het dilemma tussen een vrije fokkeuze en een systeem van centraal
gedirigeerde fokselectie is vals, want het is gebaseerd op enkele
foute,impliciete veronderstellingen. Geen enkele centralistische fokselectie
zal mèèr kunnen verwezenlijken, dan wat de bona fide fokker uit eigen beweging, kennis en ervaring
vermag. Ik moet me verduidelijken.
1)
Iedere vorm van fokselectie
blijft uiteindelijk betrekking hebben op de zichtbare vorm, het fenotype (
zelfs het systeem van fokwaardeschattingen): ook dan als dat fenotype bestaat
uit 40 of meer röntgenfoto's. Ik maak in dit bestek abstractie van de
mogelijkheden van de moleculaire genetica omdat ze in eerste instantie niet zullen bijdragen tot het herstel van de
genetische variabiliteit, maar wel tot de identificatie ( en de eliminatie) van
dragers van ongewenste genen.Dat kan prima zijn, maar het raakt de kern niet.
2)
Je kan slechts weten wat de fokwaarde van een bepaald individu is, nadat je het in de fok hebt gebracht -
althans bij rashonden- omdat nu eenmaal enkel
de totaliteit van belang is ( en niet één of zes kenmerken)
3)
Cruciaal: iedere vorm van
gecentraliseerde fokselectie benadeelt in de eerste plaats de mogelijke moederdieren. Het is geen
catastrofe dat slechts een klein aantal reuen in de fok worden ingezet - het is
wèl dramatisch als mogelijk goede moederdieren op grond van enkele discutabele
criteria reeds op voorhand uit de fok worden geweerd. Het is een notie die
vooral de laatste decennia, d.w.z. bij de jongere generatie fokkers, verloren
dreigt te gaan: dat de kwaliteit van de fok staat of valt met de kwaliteit van
je moederdieren - niet met die van de dekreuen.
4)
Direct aansluitend bij het vorige punt. Er is maar één valabele wijze om een individu bij benadering op zijn fokwaarde te schatten: zien in hoeverre dit
individu stamt uit een gekend lijnteeltprogramma én beantwoordt aan het beeld
van dat programma. Dus én lijnteelt én selectie. Dat geldt in de eerste plaats
en speciaal voor de teefjes. De afgoderij van de superreuen zou lachwekkend
zijn als ze niet zo gevaarlijk was: wat voor kwaliteiten dat 'superbeest'
(Gubbels) ook heeft, hij kan enkel belangrijk zijn als corrigerende faktor
binnen een fokprogramma. Of althans dat zou beter zo zijn. Nu is eerder het
omgekeerde het geval: veel ( al of niet jonge) fokkers baseren hun fok op het
heen en weer lopen tussen "multikampioenen" in de hoop dat die
gestalte zullen geven aan hun fokprodukten. En omdat iedere gecentraliseerde
fokseslectie zich noodzakelijkerwijze slechts op een beperkt aantal criteria toespitst en die dan quasi-universeel
toepast, zal ze even noodzakelijkerwijze potentieel waardevolle teven uit de
fok houden. En daar zit het grootste probleem.
5)
De evidentie zelve: iedere gecentraliseerde fokselectie is zeer
fraudegevoelig. ( Of zal ik voorzichtiger zijn en zeggen 'beïnvloedbaar'- 'flexibel'
misschien?). Dat weten we allemaal - al vertellen we het ook niet allemaal.
Gelooft de paus in zijn eigen onfeilbaarheid? Om de statistieken een bleek
aureool van geloofwaardigheid te kunnen geven zouden we over een bepaald soort
niet erg geavanceerde robots moeten beschikken.
6)
Elke vorm van
gecentraliseerde fokselectie werkt de onverantwoordelijkheid van de fokker in spe in de hand: hij wordt
uitvoerder van een programma waarvan de regels hogerop zijn vastgelegd en
waarin hij part noch deel heeft. Op die manier kàn hij ook niet leren. Een
dergelijke situatie zie je uitvergroot bij
rassen waarin veel kleine kennels met weinig ervaring ageren onder een
centrale supervisie: zowel kennis van het ras, van praktische fokvaardigheden
en van de geschiedenis blijven rudimentair.
7)
Elk gecentraliseerd systeem
van fokselectie erodeert de macht van de rasclub- voor zover die macht
bestaat - en legt die in handen van "experten" die meestal buiten het
ras staan. Die mensen hebben ook nog andere belangen dan het verzekeren van de
toekomst van Uw of mijn ras: dat is hun goed recht. Wij moeten maar beter op
onze zaken passen.
8)
Iedere, door experten gestuurde, fokselectie zal - door zijn eigen
natuur - aan tenminste één doel voorbij schieten: het zal nog maar eens de
genetische variabiliteit verminderen door alternerend op een beperkt aantal
criteria te oordelen.
Dit rijtje kan worden uitgebreid en het kan worden uitgediept. Dat is
hier niet het punt. Waar het mij wel om gaat: de ervaring en de kennis van de individuele fokker is niet te vervangen
door een totalitair systeem. De
kennis, de ervaring en de integriteit van de individuele fokker zijn de best
mogelijke garantie voor het welzijn van zijn ras. En natuurlijk moeten ze
kunnen beschikken over relevante wetenschappelijke inzichten, maar de experten
zouden zich er beter voor hoeden op een paternalistische wijze die fokker bij
het handje te nemen: het vingertje van de schoolmeester is nooit erg efficiënt
geweest. Dat individuele fokkers "verkeerde" keuzes maken valt niet
te vermijden. Als ze blijvend verkeerde keuzes maken, zullen zij daar
uiteindelijk zelf het slachtoffer van zijn. Terecht.
. Het alternatief mag gedegen lijken maar het is absurd: de opmaak van een
correcte inventaris maakt een bedrijf niet bloeiend. En het is al evenmin de
boekhouder die het bedrijf draaiende houdt - tenzij het bijna failliet is,
natuurlijk.
JOHAN SIOEN.
PS 1. In dit artikel heb ik de
zaken tot op het uiterste randje vereenvoudigd. Ik vrees dat ik daarbij
meer dan één keer over de schreef ben gegaan. Mijn excuses daarvoor. En mijn
enig mogelijke rechtvaardiging: iedereen moet er zich goed van bewust zijn dat
met de huidige trend, een toplaag van ervaren fokkers - en daardoor: van toekomstige goeie honden - dreigt weggevaagd te
worden.
PS 2. Men moet er zich
al even zeer van bewust zijn dat de kritiek die nu op de rashond in het
algemeen gespuid wordt, eigenlijk slechts effect kàn sorteren op dat deel ervan
dat kynologisch voor controle vatbaar is: hooguit 20% van alle honden dus. En
binnen die populatie spitst de kritiek zich precies op de toplaag toe. Dus is
hooguit 2% van de totale hondenpopulatie sanctioneerbaar. Met andere woorden: de meerderheid van de problemen situeren zich
buiten de officiele kynologie.
PS 3. Eenzelfde
genetische problematiek, waarvoor ik hierboven H.Wachtel als spreekbuis neem,
wordt uitstekend samengevat door Dana Bezdickova ( in "Onze Boxers"
2000 nr.1) n.a.v. een lezing van Ed Gubbels op het Kynotrain-fokkerscongres van
5 november 99.Ik verwijs er graag naar.
Kritisch aanbevolen basisliteratuur.